Siliconenkamp blij met iedere scalp grootmeester

DEN HAAG, 28 APRIL. Nog voordat een mens of een computer een zet had gedaan in het tiende Aegon Computer Schaaktoernooi werd er al weer druk gepolemiseerd over de vloek en de merites van het computerschaak. De geniepigste bijdrage aan de discussie leverde Tim Krabbé. Zonder een spoor van medelijden stelde hij in zijn openingsspeech dat de schaakcomputer spoedig overbodig zal zijn dankzij de computer. Want wie op elk uur van de dag op Internet een tegenstander van vlees en bloed kan vinden voor een partijtje mensenschaak vol blunders en tekortkomingen zal wel gek zijn als hij ongezellig blijft zitten opboksen tegen een computer die nooit eens een stuk weggeeft.

De spitsvondige redenering van Krabbé onderstreept andermaal dat er heel wat is veranderd in de tien jaar waarin het Haagse toernooi uitgroeide tot het grootste 'Mens tegen Machine'-evenement ter wereld. Onthutsende zwaktes hebben de huidige schaakprogramma's niet meer en vooral hun rekenkracht is enorm toegenomen. Het W-Chess programma dat onlangs in een Amerikaans rapid-toernooi tegen zes grootmeesters een sensationele score behaalde van vijf punten, bekijkt 40.000 stellingen per seconde. Net als de meeste andere aanwezige programma's draait W-Chess op een Pentium processor. Nog sneller is de speciale hardware in Pittsburg waarmee Hitech via een transatlantische telefoonlijn in verbinding staat. Oud-wereldkampioen correspondentieschaak Hans Berliner hoopt dat zijn troetelkind in de buurt zal komen van 200.000 stellingen per seconde.

In de breedte zal het veld van een kleine vijftig programma's waarschijnlijk sterker blijken dan hun menselijke tegenstanders, die erg in kracht uiteenlopen. Belangrijker dan de totaaluitslag is daarom de vraag hoe de acht grootmeesters zich zullen weren. Iedere grootmeesterlijke scalp blijft welkom in het siliconenkamp, waar ook de nederlaag van Kasparov in een Londens rapid-toernooi verleden jaar nog lang geen verzadiging heeft veroorzaakt. Zoals John van der Wiel het uitdrukte: “Echt serieus is het niet, maar aan de andere kant is het vervelend om van een computer te verliezen. Omdat je weet hoe die mensen uit de computerwereld daarmee omgaan. Dan wordt zo'n partij met luid gejuich overal gepubliceerd.”

Van der Wiel won het toernooi drie jaar geleden met een fraaie score van 6 uit 6. Hij heeft dan ook duidelijke ideeën hoe de computer aangepakt moet worden: “Statische stellingen, lange termijn plannen, liefst eindspelen en weinig tactiek.” Hoe anders is daarbij vergeleken de aanpak van David Bronstein, gedeeld winnaar in 1993 en altijd goed voor een groepje mensen rond zijn bord. Terwijl iedereen nadrukkelijk waarschuwt voor tactische verwikkelingen, attaqueert de 71-jarige Bronstein dat het een lieve lust is.

Wanneer de prangende vraag wordt gesteld hoe goed de computer nu echt is, zul je bij de grootmeesters zelden nog spottende antwoorden oogsten. Natuurlijk, als ze een keer verliezen komt dat nog steeds omdat ze even niet zaten op te letten, maar gaandeweg lijkt men tot het besef gekomen dat tegen de steeds maar toenemende rekenkracht geen kruid gewassen is. Volgens Zsuzsa Polgar, die samen met haar zusje Sofia in Den Haag meedoet, is de wisseling van de wacht slechts een kwestie van tijd. De parallel die een tijdlang bestond tussen de moeizame acceptatie van vrouwenschaak en computerschaak kan zij niet meer zien: “Net als ik geloven veel mensen dat de computer op een gegeven moment de beste schaker zal verslaan. Over vrouwenschaak denkt iedereen nog steeds hetzelfde.”

John Nunn, gedeeld winnaar van de afgelopen twee toernooien, geldt als een uitermate breed georiënteerd computerexpert. Door de toegenomen kracht van de beste schaakcomputers zag hij een vermoeden bevestigd. “Ze doen soms onverwachte zetten waarvan ik me afvraag waarom ik ze zelf niet zag en waarom het zo moeilijk is om die zetten te zien. Zetten waaruit blijkt dat menselijke schakers veel dingen missen. Ik heb me altijd afgevraagd hoe dicht Kasparov God genaderd is. Hoe dicht de beste menselijke schaker bij het perfecte schaken is. Normaal gesproken heb je daar geen idee van, maar zo krijg je kleine hints dat de menselijke schaker nog erg ver verwijderd is van het perfecte schaken.”

Nunn gelooft dat het grootste manco van de menselijke schaker is, dat hij in een stelling op zoek is naar patronen die hij al kent. Die bevinding wordt volledig onderschreven door een van de grootste pleitbezorgers van het computerschaak, professor Jaap van den Herik. “Het schaken is de afgelopen decennia sterk ontwikkeld. De laatste jaren heeft Kasparov een grote stap voorwaarts gedaan naar een verdere perfectionering. Nu doet de computer na Kasparov een nog grotere stap naar perfectionering. Want hij maakt al die kleine foutjes die Kasparov maakt niet meer. Ja, andere fouten, en voorlopig is Kasparov nog beter, breder, om het zo maar te zeggen. Alleen, die computer neemt op geheel andere gronden zijn beslissingen dan Kasparov. Dat betekent dat ze een ander spel spelen, ook als ze vaak dezelfde zetten doen.”

De ware schaakliefhebber loopt slechts zelden warm voor het spel van de schaakcomputer. Droog en uiterst solide wordt het vaak genoemd. Enthousiast als altijd heeft Van den Herik geen enkel probleem om ook daar een passend antwoord op te geven: “Het is eigenlijk een veel leuker en boeiender spel. Waarom? Omdat de computers tot de grenzen van het mogelijke gaan binnen het spel. Mensen doen dat niet. Die knoeien maar wat aan.”

Ter vergelijking vertelt hij over de zoekmechanismen van een programma waarmee American Express naar winstmogelijkheden zoekt in hoekjes waar de doorgaans meer voorzichtige mens het laat afweten. Dat doen schaakcomputers volgens hem ook. “Schakers durven dat niet. Zelfs een Fischer niet. Ze durven wel tot hun eigen grenzen te gaan, maar ze durven als het ware niet de grenzen van hun kunnen te overschrijden. Dat zou je dus wel moeten doen om een nog beter resultaat te bereiken. En die computers kunnen dat.”

Het mag duidelijk zijn, de schakende mens kan wel een opkikkertje gebruiken om niet te worden ondergesneeuwd door de schakende computer. Wellicht levert Kasparov volgende maand een nuttige bijdrage wanneer hij opnieuw aantreedt tegen het programma dat hem verleden jaar in Londen onderuit haalde. Tot die tijd zullen we enige troost moeten putten uit de punten die de grootmeesters in Den Haag scoren en woorden die David Bronstein daar sprak. “Het ware schaken is het denken tussen de zetten door. Jaren geleden zei Fischer al tegen me: 'Het zou prachtig zijn als de mensen zouden kunnen horen wat ik allemaal denk'. Hij had gelijk. Mensen denken mooier, maar ze moeten ook een zet doen en dan zullen ze het uiteindelijk moeten afleggen tegen de rekenkracht van de computer.” Wit: David Bronstein

Zwart: Kallisto

1.c2-c4 Pg8-f6 2.e2-e3 e7-e5 3.Pb1-c3 Lf8-b4 4.Dd1-c2 Pb8-c6 5.Lf1-d3 d7-d6 6.Pg1-e2 Lc8-e6 7.O-O a7-a5 8.a2-a3 Lb4-c5 9.b2-b3 O-O 10.Lc1-b2 Kg8-h8 11.Ta1-d1 Dd8-c8 12.Pe2-g3 Pc6-e7 13.f2-f4 e5xf4 14.Tf1xf4 Pe7-g6

15.Tf4xf6 g7xf6 16.Pc3-e4 a5-a4 17.b3-b4 Lc5-a7 18.Pe4xf6 Kh8-g7 19.Pg3-h5+ Kg7-h6 20.Td1-f1 Tf8-d8 21.Ld3-f5 La7-b6 22.Dc2-e4 d6-d5 23.c4xd5. Zwart geeft het op.