Reacties

HELLA HAASSE, schrijfster:

“Toen we allebei in Frankrijk woonden hadden mijn man en ik veel contact met Hermans. Ik vond hem een bijzonder beminnelijk mens; dat hij zo vaak als knorrig wordt omschreven vond ik wel begrijpelijk - hij had ook genoeg reden om knorrig te zijn. In de media werd daar te veel de nadruk op gelegd; er werd een soort act van hem gemaakt, het was wat men van hem verwachtte.

“Ik heb Nooit meer slapen altijd zijn mooiste boek gevonden. Die roman is een zuivere, bijna perfecte metafoor, over het eenzame individu dat ronddoolt in een wereld die hij niet begrijpt. Daarmee is het bijna een metafoor voor de mensheid in het algemeen. En natuurlijk was Hermans een van onze allerbelangrijke schrijvers. Hij hoort bij de klassiekers van deze eeuw.”

JAN BLOKKER, columnist:

“Ik heb Hermans altijd fantastisch gevonden, en ook alles wat-ie geschreven heeft. Ik hoor dan ook niet bij dat leger van klagers die zeggen dat het de laatste jaren toch allemaal wat minder werd. De laatste roker bijvoorbeeld: schitterende bundel, niets op af te dingen. Hij had zo'n waanzinnig potentieel, voor mij is-ie de grootste Nederlandse schrijver van deze eeuw, zonder enige twijfel.

“Zover ik hem kende merkte ik telkens weer dat hij altijd alles zelf wilde opknappen, hij kon geen enkele instemming velen. Toen hij door dat absurde Amsterdamse gemeentebestuur die fototentoonstelling niet mocht openen heb ik daar een stukje over geschreven waarin ik hem bijviel. Toen kreeg ik een kaartje: 'Hou daar nu toch eens mee op! Dat heeft toch geen zin!' Ik denk dat hij iemand was die bij niemand in het krijt wilde staan. Als hij dan bijval kreeg dacht-ie weer iets goed te moeten maken. En daar had hij geen behoefte aan. Hij wilde volledig onafhankelijk zijn; alles in zijn eentje kunnen doen.”

GERARD REVE, schrijver:

“Willem Frederik Hermans was een onmogelijk man. Maar dat begrijp ik. Ook ik heb in het begin veel kritiek gehad, maar het was niets bij de tegenwerking die Hermans kreeg. Dat was geen kleinigheid, moet u weten. Daardoor is hij misschien ook verbitterd geraakt. Hij zocht vijandschap met iedereen, en mij sarde hij graag. Maar ik heb liever dat iemand mij belastert en goede boeken schrijft dan andersom. Het gaat om de kunst. Het is echt een verlies, hoor. Behalve Hermans en ik zijn er geen verwante schrijvers, wij hebben nooit bij een stroming gehoord. Het is vervelend als men geen vergelijkingsmateriaal heeft. Men moet een concurrent hebben.

“Hermans heeft een meer realistische beschrijving van de werkelijkheid toegevoegd aan de Nederlandse literatuur. Hij had een eenvoudige taal, dat was erg nieuw. In allerlei romantische ideeën had hij geen zin. Met betrekking tot de oorlog schetste hij een meer bittere werkelijkheid, heel pragmatisch niet schrijven met een opinie maar met de gruwelijke werkelijkheid van het bestaan. Hij had niet die heilsverwachting met betrekking tot een nieuwe rechtvaardige staat. Onder professoren is zijn beste boek, omdat het in tegenstelling tot zijn meer surrealistische boeken een traditionele roman is met een hele goede typering. Interessant is ook dat het een van zijn weinige boeken is met een soort mededogen. Dat boek is een monument. ”

F. BOLKESTEIN, fractievoorzitter VVD:

“ Met Mulisch en Reve behoort Hermans tot de grootste Nederlandse schrijvers sinds de Tweede Wereldoorlog. De donkere kamer van Damokles is in ieder geval de mooiste roman van die periode. Hermans had een vervaarlijk polemisch talent, zoals Aad Nuis inzake Weinreb heeft moeten ervaren. Hermans zal geen gemakkelijke collega zijn geweest, daarvan kan de Universiteit van Groningen getuigen. Aan de andere kant zal hij daar zeer hebben geleden onder de tirannie van de middelmaat. Onder professoren bewijst overigens dat rancune niet steeds de beste inspiratie tot grote literatuur is. Hoewel zijn latere werken van minder gehalte zijn, is zijn overlijden voor de Nederlandse letteren een zeer gevoelig verlies.”

RICK DE LEEUW, popzanger:

“Mijn eerste reactie was: 'Oh god, nu zullen Mulisch en Reve binnenkort ook wel dood gaan. Ze horen alledrie zo bij het interieur dat je de dood niet verwacht. Tot ik een jaar of veertien was geloofde ik onvoorwaardelijk in wat ik las. Ik liet me gewillig meetronen in het verhaal. Toen las ik De donkere kamer van Damokles. Door dat boek kwam ik erachter dat literatuur niet altijd wáár hoeft te zijn. Het was ook het eerste boek dat ik voor een tweede keer las. Inmiddels zegt hij me minder, en dat vind ik tragisch. Het moet aan mij liggen, het is alsof ik niet in staat ben zijn vakmanschap op waarde te schatten.”

RUDI FUCHS, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam:

“Ik geloof dat ik alles van hem wel heb gelezen. Een fantastische schrijver vond ik hem, vooral zijn polemische werk heeft mij altijd in hoge mate geïnspireerd. Samen met Mulisch was hij ook de schrijver die je in de jaren vijftig het leven inhielp. Zij braken het ijs voor een generatie, waren de brutale rakkers die de stof wegbliezen van die duffe, muffe na-oorlogse wereld.

“Wat ik ook bijzonder aan hem vond was dat hij een bijzonder rechtschapen mens was, die nooit ophield dingen aan de kaak stellen, zelfs als hij er zelf slechter van werd. Vooral in Mandarijnen op zwavelzuur kwam dat goed naar voren. Want uiteindelijk was Hermans toch op z'n best als-ie kwaad was. Hij is nu ook vast heel kwaad dat-ie dood is.”

PROF. LOU DE JONG, historicus:

“Nooit meer slapen, dat vond ik een prachtig boek. Net als die verhalenbundel Een wonderkind of een total loss. Maar zijn latere werk, dat hij als Age Bijkaart voor Het Parool schreef, vond ik minder, uitgesproken burgerlijk soms. Ik moet wel zeggen dat hij vaak gelijk heeft gekregen; in de Weinreb-affaire, of die kwestie rond dat toneelstuk over Bernhard. In beide gevallen heb ik aan het onderzoek meegewerkt en in beide gevallen heb ik moeten constateren dat Hermans gelijk had. Zijn boeken over de oorlog hadden niet mijn speciale belangstelling. Ik moest al zoveel historische werken over dat onderwerp lezen, daarbij was geen plaats voor bellettrie.”

LEO BEENHAKKER, voetbaltrainer:

“Tot m'n spijt moet ik u zeggen dat ik nog nooit wat van Hermans heb gelezen. Ik zag hem weleens op televisie. Hij was een van die mensen waar ik veel respect en bewondering voor had, zo iemand die als ze een kamer binnenkomen, of op televisie verschijnen, meteen de hele ruimte vullen. Boeiende man hoor.”

THEO VAN GOGH, cineast/interviewer:

“In Nederland, en ook daarbuiten lees je maar zelden iemand die voor helemaal niemand bang is. Hermans had dat wel heel sterk; met Reve was hij daardoor voor mij toch het grote voorbeeld hoe je moest leven. De kont tegen de krib, je van niemand iets aantrekken. Vooral Mandarijnen op zwavelzuur heb ik altijd prachtig gevonden. Daar staan citaten in, wacht, moet je horen wat hij bijvoorbeeld schrijft over Gomperts: 'Gomperts heeft mij altijd naar wens bedient. Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen trap ik op Gomperts. Niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op zijn bel.' Zeer geestig vind ik dat. Maar er is meer: hij is een van de weinig Nederlandse schrijvers die een vrouw van vlees en bloed kon neerzetten en vrouwen geloofwaardige dialogen kon meegeven. En zonder Hermans waren De Sade en Wittgenstein in Nederland nooit zo bekend geworden als ze nu zijn.”

ALEXANDER RINNOOY KAN, voorzitter vno/ncw:

“Voor mij was Hermans niet alleen een groot romanschrijver, maar ook een verbeten polemist die een zeer kritische zin en een uitzonderlijk geheugen bezat. Een ingezonden brief van mij in het NRC wist hij zich jaren later nog te herinneren. Ik heb het altijd als een voorrecht beschouwd te behoren tot de ruime kring van mensen die hij heeft aangevallen.”

JOOST ZWAGERMAN, schrijver:

“Het eerste boek dat ik van Hermans las was Nooit meer slapen. Ik was veertien, en de oudere scholieren liepen met hem weg. Dat wilde ik dus ook. Later merkte ik dat ik op die leeftijd lang niet alles van Hermans begrepen heb. Wat ik nu vooral in hem bewonder is de veelheid aan genres die hij beoefende. En wie polemieken wil schrijven, kan absoluut niet om zijn Mandarijnen op zwavelzuur heen. Hermans heeft me op het spoor van andere schrijvers gezet. Céline ben ik door hem gaan lezen. Ik bewonder Hermans, al heb ik me door zijn gitzwarte wereldbeeld nooit verwant met hem gevoeld. En dit is weer zo'n pijnlijk moment waarop je je realiseert dat ieder gekrakeel over 'de nieuwe' Mulisch, Reve of Hermans zo ongepast is. Er was maar één Hermans, met een eigen universum. Geen van beiden zijn inwisselbaar.”

ERIK VAN ZUYLEN, filmregisseur:

“Op mijn generatie heeft het gevoel van de jaren vijftig dat hij uitdrukte indruk gemaakt. Het van je af willen gooien van alles wat met die jaren te maken heeft. Het verzet tegen de benepenheid. Er was een tijd waarin ik wilde weten waarover hij schreef. Door Hermans ben ik me voor Wittgenstein gaan interesseren. Ik heb een film met en een film over Hermans gemaakt. In 1975 W.F. Hermans en de Triomph der Techniek, naar aanleiding van Hermans' Machines in bikini. Het ging over moderne vormgeving, waarbij mechaniek verdwijnt onder de buitenkant. De electriseermachine van Wimshurst uit '77 is een verfilming van het gelijknamige verhaal. Een van Hermans' meest autobiografische, en ook meest tedere verhalen. Van zijn zogenaamde grimmigheid heb ik tijdens onze ontmoetingen nooit iets gemerkt. Hij trok op foto's wel graag een enorm boos gezicht, maar in de praktijk was hij joyeus. Uiterst vriendelijk en grappig.”

PETER WINNEN, voormalig wielrenner:

“Oh, is Hermans dood? Dat wist ik niet, dat is heel schokkend. Hermans stond toch 'boven alles', zowel letterlijk als figuurlijk. Het is wel lang geleden dat ik wat van hem gelezen heb, De donkere kamer van Damokcles geloof ik, dat was vaste prik op de middelbare school. Dat was wel pittige stof, maar ik vond het de moeite waard, je had toch het gevoel dat daarin echt wat werd gezegd.”

FELIX ROTTENBERG, voorzitter van de PvdA:

“Ik denk dat Hermans een leermeester voor velen is geweest. Zo heeft hij hele generaties geleerd om gewoon Nederlands te spreken. Zelf ben ik vanaf m'n veertiende met hem opgevoed; De donkere kamer van Damokles was het eerste wat ik van hem las. Dat was het op dat moment het spannendste, het meeslependste wat ik ooit had gelezen. Ik weet nog dat m'n moeder me riep voor het avondeten, waar ik normaal heel trouw in was, maar die keer ben ik boven gebleven, want ik wilde dat boek uitlezen. Er zijn ook een aantal beschrijvingen in zijn boeken waar ik vaak aan denk: die 'dubbelpersoon' Dorbeck uit De donkere kamer, of zijn beschrijving van Amsterdam-Zuid in De tranen der acacia's. Pas na Onder professoren ben ik hem minder gaan lezen. Toen vond ik zijn werk toch wat zwakker worden.”

WOUTER VAN OORSCHOT, uitgever:

“Ik kan me wel voorstellen dat zijn uitgever er nog niks over wil zeggen. Daarvoor moet de afstand eigenlijk veel groter zijn. Ik wil eigenlijk ook niet veel over hem zeggen. Voor mij was hij een van de grootste schrijvers van deze eeuw en is hij veel te vroeg overleden. En wat ik ook nog wel wil opmerken is dat hij de man is die de mythe van de heldhaftige Nederlandse verzetsman heeft doorgeprikt - heel belangrijk. Maar wat moet je er verder over zeggen, alles klinkt zo snel gratuit. Het enige wat hier past is een eerbiedig stilzwijgen, dat lijkt me het beste wat we nu kunnen doen.”

HARRY MULISCH, schrijver:

“ Wij schrijvers letten altijd het eerst op de lengte, want we weten hoeveel moeite een pagina kost. De tranen der Acacia's was het eerste boek dat ik van Hermans las, en ik was alleen al onder de indruk omdat het zo dik was. Het beste vond ik De donkere kamer van Damokles. Al was het beeld van de oorlog dat hij daarin schetste absoluut niet mijn beeld. Ik vond het een oorlog waarin het goede wèl van het kwade won. Nog steeds trouwens. Persoonlijk konden we al veertig jaar absoluut niet met elkaar overweg. Toch ben ik geschokt en stemt zijn dood me melancholiek. Want we zijn van dezelfde generatie.”

ROB VAN ERKELENS, schrijver:

“Misschien was het destijds belangrijk wat hij schreef, en nu niet meer zo. Toen iedereen riep dat er drie grote schrijvers waren ben ik opgehouden ze te lezen. Ik wantrouw wat door de goegemeente wordt uitgeroepen tot groot en fantastisch. Niemand is onvervangbaar. Maar het is jammer dat er nu niemand meer is zoals Hermans.”

MR. B.J. ASSCHER, voormalig president van de rechtbank van Amsterdam:

“Hermans was te groot voor Nederland. Ik denk niet dat kritiek hem raakte. Hij onttrok zich er eenvoudig aan door te vertrekken. Ik las De donkere kamer van Damokles en De tranen der acacia's direct toen ze verschenen. Al mijn vrienden ook. We waren ongeveer even oud als Hermans, en we herkenden onze eigen wereld. De verwarring die er in de oorlog heerste is nergens effectiever beschreven dan in het werk van Hermans. In de oorlog wás het zo dat je niet wist wie je kon vertrouwen. Hoe Hermans die verwarring met woorden voelbaar heeft gemaakt is onnavolgbaar. Hij hoort thuis tussen de eersten uit de wereldliteratuur.”

AAD NUIS, staatssecretaris van cultuur en voormalig recensent:

“Het overlijden van Hermans is een groot verlies voor de Nederlandse literatuur en de Nederlandse lezers. Hermans was een groot schrijver. Hij heeft een wereld in woorden geschapen die de tijd zal weerstaan. Ook komende generaties zullen geboeid worden zijn even weerbarstige als weergaloze stem.”

NELLEKE NOORDERVLIET, schrijfster:

“ Mijn favoriet is Nooit meer slapen. Daarin komt een belangrijke thematiek van Hermans prachtig aan de orde: het volmaakt vergeefse van het leven en het streven. De misverstanden, en alles wat er fout kan gaan. Ik heb hem helaas nooit persoonlijk ontmoet. Wel heeft hij zich verwaardigd een kritiek te schrijven naar aanleiding van mijn boek over Multatuli's vrouw Tine. Hij sabelde het neer. Het is het enig soort contact met hem waar ik nu trots op zou kunnen zijn. Wat het precies is dat Hermans aan de Nederlandse literatuur heeft toegevoegd, is eigenlijk niet te zeggen bij iemand die zo'n compleet eigen en ondeelbare persoonlijkheid was. Hij heeft zichzelf toegevoegd. En dat is al een hele prestatie.”