Re-export redt groente- en fruithandel

BARENDRECHT, 28 APRIL. Nederland is kennelijk nog steeds die goede 'draaischijf' binnen Europa. Het zo begeerde predikaat 'distributieland' komt ons duidelijk toe, zegt J.N.A. Verbeek, directeur van het exportbedrijf Zoutewelle in Barendrecht en voorzitter van de Algemene Nederlandse Bond van Groenten- en Fruitexporteurs.

Uit het zojuist verschenen jaarverslag van de bond blijkt dat met name de zogeheten 're-export' nog steeds toeneemt. Het gaat daarbij om buitenlandse produkten, die via Nederlandse handelshuizen hun weg naar andere markten vinden. De laatste acht jaar groeit die re-export gestaag. Vorig jaar nam hij wel extreem toe, met vijftien procent tot 1.175.000 ton. Daarvan was 285.000 groenten en 890.000 ton fruit. De omzet in guldens bedroeg rond twee miljard. De totale exportomzet - inclusief de re-export - is zes miljard.

De export van het Nederlandse produkt zakte licht met drie procent, tot 2.595.000 ton. Die daling werd vooral veroorzaakt door stagnerende afzet van groenten, waarvan 2.271.000 ton werd geëxporteerd, vijf procent minder dan in 1993. Fruit maakte door een stijging van tien procent een belangrijker aandeel uit, maar blijft met 324.000 ton diep in de schaduw van de Nederlandse groenten.

De re-export is nu naar schatting even belangrijk als de transito-handel. Daarmee wordt handel bedoelt in produkten, die niet in Nederland worden ingeklaard en voor de invoerheffing buiten de grenzen worden gehouden.

Bij de re-export gaat het vooral om citrusvruchten, maar ook om zacht fruit, zoals perziken, nectarines en aardbeien. Buitenlandse producenten laten “de weg van tuin naar tafel” graag door Nederlanders uitstippelen. “Daar worden we natuurlijk ook wel een handje bij geholpen door de Rotterdamse haven en luchthaven Schiphol”, zegt Verbeek.

Een verklaring voor de groeiende re-export is enerzijds de groei van de exportbedrijven zelf. Het zijn geen hap-snap-leveranciers meer, maar veelal pilaren waar hele supermarktketens op leunen. Zij worden voor hun klanten zo belangrijk, dat zij 365 dagen per jaar moeten kunnen leveren en onmogelijk afhankelijk kunnen zijn van uitsluitend de binnenlandse produktie van land- en tuinbouw, die veelal seizoensgebonden is. “Je koopt dus bij buitenlandse producenten, plukt de vracht als het ware hier uit elkaar en distribueert verschillende partijen naar de klant.”

Met de toenemende re-export slinkt het belang van het Nederlandse produkt voor exporteurs. “Je ziet dat andere landen belangrijker worden als producent. Neem Spanje. De perfecte tomaat waarop Nederlandse tuinders vroeger het octrooi leken te hebben, kunnen ze daar nu ook kweken. Je kunt het dus ook anders zeggen: de voorsprong van de Nederlanders wordt kleiner. Als je paprika's of courgettes ziet van Nederlandse tuinders, laten die zich in perfectie met geen enkel buitenlands produkt vergelijken. Maar ik sluit niet uit, dat ze dat over vijf of tien jaar ergens anders ook in hun vingers hebben.”

Verbeek gaat er vanuit dat aan de opmars van de re-export ook weer een eind komt. “Spanjaarden hebben heus wel in de gaten dat de kortste weg van Andalusië naar Moskou niet via Amsterdam loopt. Dus het belang ervan kan de komende jaren nog wel iets toenemen, maar niet meer zo spectaculair als in '94”.

Even spectaculair was vorig jaar de explosieve export naar voormalige Oostbloklanden. De export van uien bijvoorbeeld - in tonnages Nederlands belangrijkste exportprodukt voor de land- en tuinbouw - steeg vorig jaar van hoegenaamd niets naar ruim 45.000 ton. Dat leidt tot tamelijk kolderieke cijfers. De uitvoer bijvoorbeeld van verse groente en fruit naar het GOS steeg vorig jaar van 3.499 ton tot 114.785 ton, een stijging met 3.178 procent. Voor Letland gold een stijgingspercentage van 856 procent.

“Oost-Europa wordt steeds belangrijker, maar ik vraag me wel af hoe het met de koopkracht van de Russische consument gaat. Onze produkten worden in dollars betaald. Met de voortdurende inflatie van de roebel kun je je afvragen hoe lang groenten en fruit uit Nederland nog betaalbaar blijven”, zegt Verbeek. Hij verwacht niettemin dat deze landen de eerste vijf tot zes jaar zeker belangrijk zullen blijven voor de export. “Daarna zullen wat produkten gaan afvallen. Je mag bijvoorbeeld toch aannemen dat de landbouw daar tegen die tijd weer zover op eigen benen staat dat de boeren zelf tamelijk eenvoudige produkten als aardappalen, uien en koolsoorten kunnen verbouwen.” Opmerkelijk daarbij is dat Rusland relatief sterk gestegen importen heeft van dure produkten als tomaten, komkommers en paprika's.

Bij de 'betrouwbaarheid' als handelspartner van de Oosteuropese landen zet Verbeek wel vraagtekens. “Je ziet dat een land als Polen enige jaren behoorlijk belangrijk wordt en dan ineens weer wegzakt. Je kunt daar een paar dingen uit afleiden. In de eerste plaats zijn de overheden daar hun eigen markten gaan beschermen door ineens enorme 'duty's' aan de grens op te gaan leggen. De wachttijden voor onze vrachtwagens worden ineens heel lang, dat soort dingen. Maar je ziet ook dat een land als Polen kennelijk enige jaren Nederlandse produkten heeft gekocht om in Rusland te verhandelen. Dat neemt nu weer af, waardoor wij zien dat Rusland zelf als afzetgebied belangrijker wordt.”

Het belang van de Nederlandse export van groenten en fruit geldt echter niet alleen Europa, maar het krijgt een steeds globaler karakter. Japan betrekt steeds meer groenten als paprika, prei, witlof en radijs. Ook de VS toont voortdurend meer belangstelling voor met name Nederlandse paprika en met de overheid van Taiwan wordt voorzichtig besproken of die markt mogelijkheden biedt.

“Het is natuurlijk prachtig dat de markt zo veel wijder wordt”, zegt Verbeek, “maar het is daarbij van het grootste belang dat je de traditionele markten in de gaten houdt. Als je ziet dat de markt in Duitsland voor uien in één jaar terugloopt van 115.000 ton naar 93.000 ton komt dat hard aan. Een marktverlies over de hele breedte van zes procent in Duitsland doet bij wijze van spreken je hele winst elders in de wereld weer teniet. Dat geldt ook voor Frankrijk. Er is een samenspel van factoren aan de orde. Je hebt het imago-probleem van het Nederlands produkt dat voornamelijk in Duitsland een rol speelt. Daarnaast is er groeiende concurrentie van vooral Spanje en gebieden als de Canarische Eilanden. En waarschijnlijk ook het feit dat we te laat hebben ingespeeld op de vraag van de consument. Nieuwe produkten - er is nu een verscheidenheid aan tomaten op de markt - komen wel, maar had eerder mee moeten worden begonnen. En er is natuurlijk sprake van overproduktie. In die situatie is het Nederlands produkt vaak te duur en moeten we het afleggen tegen buitenlandse concurrentie. In Frankrijk is sprake van een bescherming van de eigen markt. De eigen produktie neemt flink toe en Franse boeren leveren keiharde acties als hun produkt bij supermarkten niet de voorkeur blijken te verdienen”, aldus Verbeek.

De exporteurs zien tenslotte interessante perspectieven in vervoer per rails. “Die Betuwe-lijn moet er komen”, zegt Verbeek. “Het kan natuurlijk niet zo zijn dat op den duur onze verse produkten in files staan weg te rotten. Nu wordt 98 procent van onze produkten per vrachtauto vervoerd. Maar over afstanden van meer dan duizend kilometer zou de trein natuurlijk verre de voorkeur verdienen. Keulen is te dicht bij, maar voor Oost-Europa, waar een relatief slechte infrastructuur is, zouden railverbindingen mooie perspectieven bieden. Het zou helemaal mooi zijn als tegelijkertijd een eind zou komen aan de verstikkende bureaucratie.”