Maria wappert met haar vingers; Het tekenplezier van de barokschilder Giuseppe Passeri

Tot aan het eind van zijn leven bleef de barokschilder Giuseppe Passeri studeren. Nooit was het hem genoeg, want “de hand moet zonder ophouden geoefend worden om datgene wat het oog ziet onmiddellijk weer te kunnen geven.” Veertienhonderd van zijn tekeningen en olieverfstudies zijn nu in Düsseldorf te zien.

Tekeningen en olieverfstudies van Giuseppe Passeri. Kunstmuseum, Ehrenhof 5, Düsseldorf. T/m 24 juni. Di t/m zo 11-18u. Pinksterzondag gesloten, Pinkstermaandag geopen. Bestandscatalogus, 1000 blz. Prijs DM 120,-. Cat. bij de expositie, 45 blz., DM 15,-.

Niet tien, niet twintig, nee honderden voorstudies maakte de barokschilder Giuseppe Passeri (1654-1714) voor een fresco of olieverfschilderij. Van compositie-ontwerpen tot studies van de kleinste details. Zoals de figuur van Petrus, onderdeel van een grotere voorstelling als De Kroning van de heilige Catharina.

Passeri tekende Petrus voluit, met wapperende mantel, de sleutels van de hemelpoort in de hand: de contouren snel geschetst in diepzwarte inkt, dan weer zacht gemodelleerd met rood krijt op grijs papier, dan weer met fijne potloodarceringen opgebouwd uit louter licht- en schaduwpartijen.Het lichaam van Petrus zonder hoofd tekende Passeri ook talloze malen, evenals alleen het hoofd; en de hand met sleutels en dezelfde hand zonder sleutels, de kromming van de wijsvinger, de handpalm; een gespierde kuit die onder de mantel uitsteekt, de plooival om een knie, de welving van een voet - iedere rimpeling, ieder lichtvlekje is de aandacht waard, en de mogelijkheden van het zien zijn onbeperkt. De hand moet zonder ophouden geoefend worden om datgene wat het oog ziet onmiddellijk weer te kunnen geven. Nooit was het Passeri genoeg, tot aan het eind van zijn leven bleef hij studeren, zoals hij het noemde. Zijn meesterschap als schilder en tekenaar werd in 1701 in Rome bekroond met het lidmaatschap van de 'Congregazione dei Virtuosi'.

Het Kunstmuseum van Düsseldorf heeft veertienhonderd tekeningen en olieverfstudies van Passeri in zijn bezit. De Düsseldorfse schilder Lambert Krahe (1712-1790), die jarenlang in Rome woonde, kocht de tekeningen uit de nalatenschap van Passeri. Krahe was directeur van de 'Kurfürstliche Sammlung'.

Bij zijn terugkeer in Düsseldorf in 1756 richtte hij een particuliere academie op, waar hij de bladen van Passeri als studiemateriaal gebruikte. Na Krahe's dood raakten ze in vergetelheid. In 1930 gaf de kunstacademie van Düsseldorf de tekeningen in langdurig bruikleen aan het museum.

Fresco's

Dertig jaar geleden begon de kunsthistoricus en museummedewerker Dieter Graf aan de inventarisatie van deze collectie. Het werd een levenswerk, dat nu, met de verschijning van een tweedelige bestandscatalogus, is voltooid. Alle bladen zijn in de catalogus beschreven en afgebeeld, 1900 afbeeldingen in totaal, omdat een aantal bladen ook aan de achterkant betekend is. Ter gelegenheid van de publikatie organiseerde het museum een tentoonstelling van 200 bladen van Passeri, begeleid door een aparte, beknopte catalogus. Het is een prachtige expositie, indrukwekkend niet alleen wegens het niveau en de omvang van het werk van Passeri, maar ook omdat het museum zich veel moeite heeft getroost om verschillende ontwerpfasen van één schilderij te tonen, van de eerste schets tot de olieverfstudie die de schilder aan de opdrachtgever ter goedkeuring voorlegde. Passeri vervaardigde zijn fresco's en schilderingen voor palazzi en kerken in zijn geboortestad Rome. Een groot deel van deze schilderingen is in de loop der tijd verloren gegaan.

Hoeveel waardering Passeri in zijn tijd ook kreeg - hij was hofschilder van paus Clemens XI Albani - toch stond hij zijn hele leven in de schaduw van zijn leraar Carlo Maratta, die één jaar voor hem overleed. Volgens Lione Pascoli die een levensbeschrijving van Passeri opnam in zijn Vite, een verzameling kunstenaarsbiografieën (1734), leed Passeri daar niet al te erg onder. Hij koesterde een grote bewondering voor zijn meester, die hij altijd hoger bleef schatten dan zichzelf. Maratta nam na de dood van de grote barokkunstenaars Pietro da Cortona (1669) en Bernini (1680) hun leidende rol over. Hij heeft voor maar liefst zeven pausen gewerkt, en voor Lodewijk XIV, en was 'Principe' van de Accademia di San Luca. Rome werd in zijn tijd 'het Rome van Maratta' genoemd.

Passeri was Maratta's favoriete leerling. Maratta onderrichtte zijn leerlingen door middel van de beproefde methode van het kopiëren van grote voorbeelden. Michelangelo en Annibale Caracci liet hij kopiëren om de precisie en trefzekerheid van hun tekening, Poussin vanwege de natuurlijkheid van de weergave, Titiaan om de schoonheid van de kleur, Correggio om de engelachtige zuiverheid van zijn wijze van schilderen. De som van al deze kwaliteiten was volgens Maratta te vinden in 'de goddelijke werken' van Rafaël. Bovendien zou Rafaël alle anderen overtreffen in de wijze waarop hij uitdrukking gaf aan 'het gevoel van de ziel'.

Een klein deel van de expositie in Düsseldorf is gewijd aan tekeningen van medeleerlingen van Passeri. Hier is te zien waarin Passeri zich van hen onderscheidde, en dat het nabootsen van voorbeelden de ontwikkeling van een eigen handschrift niet in de weg hoeft te staan. De tekeningen van Passeri hebben een snelle, bijna ongeduldige penseelvoering. Alles brengt hij in beweging, zoals in een eerste schets, een 'pensiero', voor de Hemelvaart van Maria bijvoorbeeld is te zien. Het lichaam draait, de gespreide vingers en voeten wapperen, engelen en wolkjes wervelen er omheen. De contouren zijn helder en duidelijk, ook in de zachtere krijtstudies die volgen op de pensiero.

Deze contouren verlenen het beeld vaak een zekere monumentaliteit. In zijn krijtstudies werkte Passeri met een grote verscheidenheid aan materialen. De rode krijtlijnen verzachtte hij met bruine inkt. Door de tekening te wassen met bruine inkt ontstond de gewenste schaduwwerking. Witte dekverf vermengde hij met grijs, bruin of rood krijt zodat hij allerlei schilderkunstige nuances en kleuren verkreeg. En ten slotte bewerkstelligde hij lichteffecten door de tekening op te hogen met onvermengde witte dekverf. De aantrekkingskracht van de tekeningen schuilt in de ritmiek van het lijnenspel, en de krijttekeningen zijn bewonderenswaardig om hun overtuigende dieptewerking en de dramatische licht-donkercontrasten.

Krullerige letters

In het Italië van Passeri was de tekening geen verzamelobject; ze werd nog niet in brede kring gewaardeerd als zelfstandig kunstwerk, met eigen expressieve mogelijkheden. Voor de beeldende kunstenaars zélf lag dat anders; zij verzamelden hun tekeningen, en die van anderen, wel. Passeri lijstte bladen in en hing ze op in zijn huis. Sommige signeerde hij ook, zoals de schets voor Maria's Hemelvaart. Twee keer signeerde hij die, in fraaie krullerige letters; hij kon het niet nalaten zelfs van zijn naam een barokke tekening te maken. Het typeert Passeri, en daarmee ook de hele expositie. Passeri vond het heerlijk om te tekenen, en genoot ervan dat hij het kon. Dit aanstekelijke plezier is steeds weer zichtbaar.

Volgens de algemeen geaccepteerde kunsttheorie van de barok, die al aan het begin van de zestiende eeuw ontwikkeld was door de renaissancekunstenaar Leon Battista Alberti, zijn twee kwaliteiten onontbeerlijk voor de beeldend kunstenaar: 'ingenium' en 'studium'. Hoe groot het talent ook, zonder ijverige studie wordt het niets. Passeri is een voorbeeld van het tegenovergestelde. Hij was geen hemelbestormend genie, maar door zijn niet-aflatende arbeid heeft hij zijn kunstenaarschap op grote hoogte gebracht.