Mandarijn

Staatssecretaris Aad Nuis was juist bezig een postje te schrappen in het mime-onderwijs, toen er op zijn deur werd geklopt. “Binnen!”, riep de staatssecretaris zonder op te kijken. Het was de voorlichter van het departement. De voorlichter ging aan de andere kant van het bureau zitten en wachtte tot de staatssecretaris was uitgeschrapt. Dat duurde even, maar tenslotte richtte de staatssecretaris zich op van zijn werk. “Zeg het maar!”, zei hij op de toon van iemand met een leidinggevende functie.

“W.F. Hermans is dood.”

Het was even stil.

“Dat is jammer”, zei de staatssecretaris, terwijl hij een poging deed zijn gezicht niet te laten opklaren. “En is er verder nog nieuws?”

“Het NOS-journaal heeft gebeld. Men wil graag een reactie.”

“Zeg maar dat ik geen tijd heb.”

“Dat zou zeer ongepast zijn. U bent per slot de staatssecretaris van kunsten.”

“Zeker, zeker. Maar ik hoef toch niet in beeld? Kunnen wij niet volstaan met een korte verklaring?”

“Dat zou eventueel kunnen. Ik heb hier een paar boeken van Hermans voor u meegenomen. Misschien kunt u daarin iets vinden voor uw verklaring. U zou in ieder geval kunnen zeggen dat de dood van Hermans een groot verlies betekent voor de Nederlandse literatuur.”

“Dat krijg ik niet uit mijn bek.”

“Pardon? Wat zegt u?”

“Nee, laat maar. Ik zal erover nadenken.”

De voorlichter verliet de kamer en de staatssecretaris keek naar het stapeltje boeken. Hij dacht aan het verleden, aan de vele bittere Weinreb-polemieken die er toen waren gevoerd. De staatssecretaris pakte een willekeurige titel van de stapel: Door gevaarlijke gekken omringd. Hij zocht zijn eigen naam op in het register en las op pagina 121: “Pennelikkers van het Aad-Nuis-type”. Op pagina 292 las hij: “Nuis en Rubinstein, die als zij beginnen te liegen van geen ophouden weten”. En op pagina 392: “De gesubsidieerde leugenaar Aad Nuis”.

De staatssecretaris sloeg een ander boek van Hermans open, het supplement van de Mandarijnen op Zwavelzuur. Op pagina 55 las hij: “Nuis heeft immers nooit om een tekstvervalsing of een lasterlijke insinuatie verlegen gezeten.” En op pagina 67: “Ik voor mij zou niet weten wat een grotere belediging is voor een fatsoenlijk schrijver: een lovende kritiek van Nuis, of een afbrekende kritiek van Nuis. Ik geloof dat ik het liefst tot het eind van mijn levensdagen desnoods, en misschien ook nog daarna, door Nuis die hetzer zal worden genoemd.”

Op pagina 75 las hij: “A. Nuis, mislukt poëet, mislukt romancier en nu klaarblijkelijk, criticaster.” En: “A. Nuis, de klotser van de Haagse Post.” En op pagina 96 las hij: “Nuis en Rubinstein verdienen inzake de Weinreb-affaire geen enkele achting.” En op pagina 103: “Het is een legende dat Nuis en Rubinstein te goeder trouw waren.”

Zo ging het nog pagina's door. De staatssecretaris rilde. Hij pakte nog een boek van de stapel. Boze brieven van Bijkaart, een wat ouder werk van Hermans. De staatssecretaris veronderstelde dat daarin zijn naam niet zou voorkomen, maar op pagina 396 vond hij een foto van zichzelf. Hermans had er eigenhandig met een pen een onderschriftje bijgeschreven, dat luidde: “Maar zij zèggen niets anders, oetlul!” Oetlul. De staatssecretaris keek naar dat mooie, maar absurde woord.

Nu moest hij alleen nog een tekstje schrijven voor de verklaring, maar op de een of andere manier wilde het niet vlotten. Er werd geklopt. Het was de voorlichter. “Het NOS-journaal is er”, zei hij gehaast, “ze staan beneden te wachten.”

“Zeg maar dat de dood van Hermans een groot verlies is voor de Nederlandse lezer.”

“Voor de lezer”, vroeg de voorlichter, “waarom niet gewoon verlies voor de Nederlandse literatuur?”

De staatssecretaris had zijn antwoord al klaar. “Nee, nee”, zei hij, “de Nederlandse lezer, dat klinkt veel algemener. De Nederlandse lezer leest van alles: de Story, de Donald Duck, Kuifje, Hermans. Zo moet je dat zien.”