Kleine man gehuld in grootspraak; Hybridische roman over Franco van Manuel Vázquez Montalbán

Manuel Vázquez Montalbán: Autobiografie van Generaal Franco (Autobiografía del general Franco). Vert. Saskia Otter. Uitg. Menken, Kasander & Wigman, 765 blz., ƒ59,50.

Manuel Vázquez Montalbán is een van Spanjes produktiefste schrijvers.

Beroemd werd hij met een cynische detective-serie rond de gastronomische speurder Carvalho, waarvan inmiddels ruim vijftien delen verschenen zijn. Daarnaast schreef hij politieke romans als Galíndez, over een Baskisch politicus in ballingschap die in 1956 spoorloos in New York verdween, en De pianist, over het leven in linkse kringen vóór, tijdens en na Franco. Beide romans werden al eerder in het Nederlands uitgebracht. Onlangs verscheen de vertaling van zijn roman Autobiografie van Generaal Franco, waarin hij de vroegere Spaanse dictator ter gelegenheid van zijn honderdste geboortejaar (1992) in het literaire pantheon had opgenomen.

Vázquez Montalbán, die van zijn communistische gezindheid nooit een geheim heeft gemaakt, deed dat niet zonder kwaadaardigheid. Hij wilde Franco 'doen herleven om hem te doden', schrijft hij in zijn proloog. Dat gaat hem goed af. Franco is bij hem een kleine man die merkbaar te ruim zit in de grootspraak waarin hij zich hult. In de taal waarin Vázquez Montalbán Franco aan het woord laat ontluistert hij zichzelf genadeloos.

Daarbij had het moeten blijven, maar dat was Vázquez Montalbán niet genoeg. Franco's relaas wordt voortdurend onderbroken door commentaar dat uitlegt wat diens woorden in werkelijkheid betekenden: voor Spanje en vooral voor de verliezers van de burgeroorlog.

Zo'n verliezer is Marcial Pombo, in wie zonder moeite de gestalte van Vázquez Montalbán zelf te ontwaren valt. Afkomstig uit een links nest, opgegroeid in behoeftigheid, is het hem ook in het democratische Spanje minder voor de wind gegaan dan veel van zijn linkse vrienden van betere komaf. Van één van hen, een succesvol uitgever, krijgt hij het aanbod Franco's autobiografie te schrijven. Hij accepteert uit geldnood, en schrijft het boek mét zijn eigen commentaar. Dat boek vormt de romp van de roman die voor ons ligt.

In de proloog en epiloog vertelt Pombo de voor- en nageschiedenis van Franco's 'autobiografie'. De uitgever blijkt niet gelukkig met Pombo's commentaarstem en wil het schrappen. Voor herschrijven is geen tijd; het boek moet snel verschijnen, wil het - zegt hij - niet 'de indruk wekken dat we opportunistisch inspelen op zijn (Franco's) geboortedatum'. Pombo zwicht.

Daarmee heeft Vázquez Montalbán de kritiek op gewiekste wijze de wind uit de zeilen genomen. Want tenslotte deed hij zelf niets anders dan met zijn Autobiografie van Generaal Franco op dat eeuwfeest inspelen, voor zover het haastig geschreven boek al niet op bestelling vervaardigd werd. Dat geeft deze roman, geschreven met het pathos van het ethische oordeel, onwillekeurig een dubieuze bijsmaak. Door zich te verdubbelen in de figuur van Pombo werd dat effect geneutraliseerd. Als de autobiografie opportunistisch maatwerk lijkt, dan komt dat doordat Pombo opportunistisch maatwerk gevraagd werd. De levensechtheid daarvan is dan geen bewijs van gewiekstheid meer, maar van het literair meesterschap van Vázquez Montalbán zelf.

Bij die goocheltruc blijft het niet. De zeggingskracht van de roman lijdt sterk onder de tweestemmige constructie die Vázquez Montalbán gekozen heeft. Franco vertelt en Pombo commentarieert, honend, schrijnend en soms larmoyant. Het had een dubbele visie op de geschiedenis moeten worden, maar het werd een tweevoudige monoloog die al snel irriterend en voorspelbaar wordt, omdat er in geen van beide posities ook maar enige beweging komt.

Dat pakt, pijnlijk genoeg, vooral negatief uit voor Pombo en daarmee voor Vázquez Montalbán zelf. Hij kan alleen maar reageren op wat Franco zegt, en dat plaatst hem van begin af aan in een tweederangs-positie. Zijn interrupties, correcties en tegenwerpingen maken hem onvermijdelijk tot een wat zeurderige betweter, in wiens woorden minder het historisch gelijk dan ressentiment doorklinkt. Eenmaal aangekomen bij de epiloog, is men dan ook geneigd Pombo's uitgever gelijk te geven: het boek zou aanzienlijk leesbaarder en effectiever zijn geweest zonder dit commentaar. Beter nog had het herschreven kunnen worden vanuit een globaler perspectief, waarin Vázquez Montalbán een werkelijk oordeel over Franco had uitgesproken, in plaats van zich tevreden te stellen met twee extreme en daardoor weinig interessante visies.

In zijn epioloog verdedigt Vázquez Montalbán zijn opzet met een moreel argument. Het schrappen van de tegenstem - zo laat hij Pombo tegenover zijn uitgever soebatten - zou aan Franco het laatste woord en daarmee de ultieme overwinning hebben gegeven. Dat riekt een beetje naar morele chantage, alsof Franco's slachtoffers zonder Pombo's commentaren nogmaals zouden zijn verraden.

Dat is wel érg grof geschut voor de camouflage van een constructiefout en men moet dan ook vrezen dat Vázquez Montalbán meent wat hij schrijft. Dat maakt hem tegelijk tot een machteloos en tragisch schrijver. Machteloos omdat hij niet in staat is zich te verheffen boven de confrontatie tussen Franco en hemzelf. En tragisch, omdat hij zichzelf daarmee veroordeelt tot een blijvende afhankelijkheid van de man die hij haat. Hij kan hem wel in de rede vallen, maar hem niet het woord en het initiatief ontnemen.

Voor Vázquez Montalbán en zijn generatie is het nog te vroeg voor een oordeel over Franco. Dat is het werk van de geschiedkundigen, laat hij Pombo zeggen. Dat was profetisch gesproken. Nog geen jaar later publiceerde de Engelse historicus Paul Preston een vuistdikke Franco-biografie die het oordeel wel aandurft. Bij Vázquez Montalbán wreekt het onverwerkte verleden zich in de vorm van een literaire mislukking en een hybridisch boek. Zelden beantwoordden vorm en inhoud op zulk een ironische wijze aan elkaar.