'Iedereen heeft scherp beeld van de oorlog'; Voorzitter Comité 4 en 5 mei over de authenticiteit van oorlogsherdenking

“Iedereen heeft tegenwoordig een herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Een scherp beeld. Een verhaal. Ook wie de oorlog niet zelf heeft meegemaakt, heeft beelden van de televisie, of van verhalen van ouders of grootouders. Iedereen.”

G.W. van Montfrans, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, is onder de indruk van de mate waarin de gedachte aan de oorlog nog leeft in Nederland. Amper is het gesprek begonnen of ze vertelt al over een bezoek aan een herdenking op het Amsterdams Lyceum eerder die week. “Op die school heb ik lesgegeven. Als je bekend bent met de omgeving van een herdenking, merk je pas echt goed hoe stevig de herinnering aan die oorlog verankerd is.”

Ze zag vitrines waarin de levensloop werd beschreven van scholieren en leraren die in het verzet waren gegaan. Het leven van sommigen eindigde met een executie in de duinen. Zoiets maakt indruk, zegt Van Montfrans. En niet alleen op haar. “Er wordt vandaag de dag in veel huiskamers over de oorlog gepraat.” Ze noemt het voorbeeld van een jongen van 21 jaar, die haar onlangs vertelde dat hij totaal onverwachts zijn grootvader had zien huilen voor de televisie, bij een film over de slag bij Arnhem. “De authenticiteit van die gevoelens maakt grote indruk.”

De omvangrijke viering van de vijftigste mei door het hele land is niet van bovenaf opgelegd - omdat het nu eenmaal een lustrum zou zijn. Dat is Van Montfrans' volste overtuiging. “De aandacht verdiept zich: zoveel boeken, zoveel kinderactiviteiten, zoveel bijeenkomsten van slachtoffers, zoveel televisie-programma's, zoveel tentoonstellingen. Het is volstrekt spontaan en overal is het anders. En het is niet alleen maar massaliteit of vermaak, er wordt veel inhoudelijk nagedacht over de oorlog, met symposia, lezingen.” En de trend bestaat al langer. Tot lang na de oorlog heeft men gedacht: 'zo, dat is over', aldus Van Montfrans. “Maar vijftien jaar geleden is daarin een omslag gekomen, dat heeft ook met generatiewisselingen te maken. En misschien dat nu ook de oorlog in Joegoslavië het denken intensiveert.”

Het Nationaal Comité 4 en 5 Mei, in 1987 bij koninklijk besluit ontstaan als bundeling van twee aparte comités voor dodenherdenking en bevrijdingsdag, oefent geen controle uit over de duizenden activiteiten. “Iedereen moet doen wat hem zelf goeddunkt.” Het comité heeft drie hoofdtaken: de organisatie van de nationale herdenking en de nationale viering van de bevrijding op 4 en 5 mei (op de Dam en in Carré) en de coördinatie van het jeugdvoorlichtingsbeleid. 'Mensen uit het land' bellen wel vaak op om advies, “maar wij treden niet sturend op, daarvoor is dit apparaat ook veel te klein”, aldus Van Montfrans. Normaliter werken er vijf mensen in het oude, licht chaotische kantoor in Amsterdam, de laatste maanden zijn er tien bijgekomen, van wie twee alleen al voor organisatie van de vrijheidstrein die al weken door Nederland rijdt.

Wat is de waarde van al die herdenkingen?

“Er is bijna niets dat ons samenbindt in Nederland, maar wel deze twee dingen: koninginnedag en de oorlogsherdenking. Er zijn misschien wel mensen tegen de monarchie, maar niemand is tegen koningin Beatrix. Op 30 april gaan we allemaal met feesthoedjes de straat op. Dan zijn 4 en 5 mei van een heel andere orde, dat is een gedeelde ervaring en herinnering. Voor landen als de Verenigde Staten en Engeland is de Tweede Wereldoorlog vooral een militaire oorlog geweest, voor Nederland was het een lange periode van geweld en discriminatie tegen de bevolking.

“Ouderen herdenken vaak wat ze zelf hebben meegemaakt. Vooral het laatste oorlogsjaar was echt heel ingrijpend: het geweld van de bevrijding door de geallieerden, de hongerwinter. Dat zijn vaak bijeenkomsten van verdriet en troost. Bij jongeren gaat het minder om die historische beelden, meer om de manier waarop mensen toen met elkaar omgingen: de bedreigingen, de willekeur, de disciminatie, de moorden. Er is eigenlijk niet zoveel veranderd, dat zie je nu in Joegoslavië. Uit onderzoeken blijkt dat jongeren dat belangrijk vinden: wat moeten we doen om dat te voorkomen? Nooit meer fascisme, die gedachte. In ons jeugdwerk ligt dan ook de nadruk op de rechten uit onze grondwet. Het schenden van de mensenrechten begint vaak heel klein. We zeggen daarbij niet hoe er nu beter gehandeld kan worden, maar we stellen wel de vraag aan de orde. Het eerste wat de Duitsers deden was de grondwet buiten werking stellen.”

Herdenken we niet eigenlijk vooral onze collectieve fouten, waarop koningin Beatrix vorige maand in Israel nog wees: dat de Nederlanders niet in staat bleken te voorkomen dat zoveel joden en anderen zijn weggevoerd, relatief veel meer dan in andere landen?

“Ik denk niet dat je het woord 'fout' moet gebruiken voor de gewone man. Fout in de oorlog, dat is de actieve medewerking geweest, de mensen die bij de NSB gingen, of joden aangaven. Ik constateer wel het feit dat het Nederlandse volk de vreselijke wegvoeringen niet heeft kunnen voorkomen, en daar zijn ook oorzaken voor - maar ik wil geen zedenmeester zijn over de tijd van toen. Het nazi-regime is ons met geweld opgelegd, niet door het volk gewild. En ik vind niet dat je mag oordelen over de betrekkelijke passiviteit van veel mensen als je niet zelf voor dezelfde keuzes hebt gestaan. Dan ga je te veel in de historie wroeten. Je kunt beter jezelf wèl weerbaar maken. Want terugkijkend kunnen we natuurlijk wel zien hoe belangrijk de individuele verantwoordelijk eigenlijk is, dat je je niet mag verschuilen achter het gezag van anderen. Je kunt het kwaad misschien niet individueel keren, maar dat betekent niet dat je mag zeggen: het maakt dus niet uit wat ik doe. We moeten spreken als het recht verloren gaat. We zijn geen kudde - dat spreekt jongeren ook sterk aan.”

Hoe zal de toekomst van de herdenkingen er uitzien?

“Ik denk wel dat de afstand tot de oorlog zelf groter zal worden, dat de manier waarop we nu omgaan met mensenrechten steeds belangrijker zal worden. Die aandacht verdiept zich. Tenslotte weet niemand wat ons in de toekomst overkomt. Want ook wij hebben geen garantie op vrede, ook al duurt die nu al vijftig jaar. Onze open samenleving blijft kwetsbaar. Dat bewustzijn is de zin van 4 en 5 mei, en dat zal nog lang zo blijven.”