Het beroemdheidsrecht

Andy Warhol heeft gezegd dat ieder mens het recht moet worden toegekend bij zijn leven vijftien minuten wereldberoemd te zijn. Het recht op beroemdheid toegevoegd aan de universele rechten van de mens, als vervolmaking van de wereldverzorgingsstaat; beroemdheid in het ziekenfondspakket. Warhol heeft in één zin een vlijmscherpe formule gevonden voor een vraagstuk dat even eigentijds als klemmend is, en bovendien het begin van een oplossing aangegeven. Dat is geniaal, maar daarmee is meteen het uitzicht op een baaierd van nieuwe problemen ontstaan. Want hoe gaat het beroemd worden dan in zijn werk?

Op het ogenblik, in de nu nog heersende toestand van rechteloosheid, legt demens de grondslag voor zijn wereldfaam door het schrijven van een bijzonder boek, het maken van een vervaarlijk schilderij, het inpakken van een groot gebouw, het verzinnen van een geweldige leugen, het begaan van een weerzinwekkende misdaad. Dan komen de media om deze combinatie van mens en daad te verslinden en weer uit te spugen over het wereldpubliek. Bij hetmoreel gehalte staan ze niet stil; beroemd zijn is voor de media in eerste aanleg een eigenschap terzijde van goed en kwaad.

De wil tot beroemdheid kan in beginsel iedereen aantasten, maar het blijkt dat vooral mensen die een kunst beoefenen of schrijven er gevoelig voor zijn. Komen ze via de gebruikelijke kanalen niet aan de bak, zoals het heet - hebben ze niet het goede gereedschap in huis om door te breken - dan spreken ze hun spaarvarken aan, publiceren hun eigen tijdschrift, bundel of turf, en als het op die manier nog niet lukt gaan ze krassere maatregelen overwegen.

Een duidelijk voorbeeld daarvan wordt gegeven door een nog steeds niet gearresteerde Amerikaan die al een paar jaar bombrieven verstuurt, soms met noodlottige gevolgen voor de geadresseerde. Zijn meest recente slachtoffer heeft hij deze week in Californië gemaakt. Kort voor de ontploffing had hij aan verscheidene kranten laten weten dat hij zijn acties zou staken als een krant of tijdschrift met landelijke verspreiding een lang artikel van hem zou publiceren. 'Ik krijg genoeg van dat bommen maken,' schreef hij. 'Het is geen pretje, al je avonden en weekeinden te moeten besteden aan het roeren van gevaarlijke mengsels, uit oude rommel ontstekingsmechanismen te moeten knutselen en dan ergens weer een plaats te vinden die ver genoeg weg is voor een proefexplosie.' Zeer onthullend. Niet bevredigde hang naar erkenning of beroemdheid leidt tot zelfbeklag.

Het is dus wel duidelijk dat, als het voorstel van Andy Warhol zou worden verwezenlijkt, veel ellende kon worden voorkomen. Juist daarom is het de moeite waard eens na te gaan welke vraagstukken zich aandienen als een internationale instantie, de UNESCO bijvoorbeeld, zich aan een nadere bestudering zou wagen. Ik zie verscheidene moeilijkheden.

Ten eerste: men wordt beroemd door iets te doen dat uniek is. Alle kunstwerken kunnen maar één keer worden gemaakt, alle uitvindingen en ontdekkingen maar één keer worden gedaan. Tegelijkertijd kunnen we er niet omheen dat genie en talent zeer ongelijk over de mensen zijn verdeeld. Dit betekent dat ter verwezenlijking van het universele recht op beroemdheid er een instantie zou moeten komen waar aan de lopende band wordt verzonnen, uitgevonden, gecreeërd, geschapen. Daartoe moet een centrum van onbaatzuchtige, anonieme genieën worden opgericht.

Ten tweede: iemand die zich zijn beroemdheid verwerft door een meesterwerk, door haar/hem zelf geschapen of hem/haar door de Warhol Stichting uitgereikt, zal in het kwartier van wereldroem geen concurrentie dulden. Beroemdheid gaat meestal gepaard met monopolisme. Het probleem dat daaruit ontstaat wordt bij wijze van spreken gekwadrateerd doordat alle mensen tegelijk de wens koesteren om beroemd te worden. Daar zien we de climax van het ongeduld. Om de hieruit voortvloeiende moeilijkheden te vermijden dient er naast het creativiteitscentrum een distributiecentrum van niet minder sophisticated allure te komen.

Ten slotte: wie beroemd is wil het blijven, zich er tot zijn laatste snik in wentelen, zich dag in dag uit bruin laten bakken. Er bestaat een filmpje van Mussolini waarin we hem op een balkon zien staan. Zojuist heeft hij een stevige rede gehouden en nu staat hij, de armen gekruist, te kijken en te luisteren naar de uitzinnige menigte. Hij heeft een enorme onderkin getrokken en hij knikt en knikt en knikt. Daar staat niet iemand die zijn machtswellust bevredigd ziet. De Duce zwelgt in de opperste bevestiging van zijn Ik, een zijnswijze waarvoor beroemd een veel te zwak woord is. Als de menigte was blijven klappen had hij er de volgende dag nog gestaan.

Al die moeilijkheden kunnen worden voorkomen door de beroemdheid als zodanig af te schaffen. De maatschappij waar die ideale toestand zou heersen is eigenlijk al eens ontworpen, door Karl Marx.