Een onovertroffen oase; De voorpret tijdens het luisteren naar Duke Ellington

Mijn vader belde op. Of ik mee ging naar Paradiso om Duke Ellington te zien.

Die is al dood, zei ik.

Dat wist hij. Of ik toch mee ging, want een Big Band van jonge musici, leerlingen van het Hilversums Conservatorium, zou Ellington spelen.

Ik denk wel eens dat mijn vader mijn liefde voor Ellington overschat, ongeveer zoals ik de liefde van mijn zoons voor ontwaken op de boot op het water overschat. Het kan ook haast niet anders, want Ellington is domweg een te grote liefde van mijn vader, en daarbij ook nog een oude. Mijn vader is er op zijn vijftiende, in 1939, bij geweest in het Concertgebouw, toen Ellington daar optrad. Zijn moeder, die van jazz weinig begreep maar wél van haar zoon, wist hoe verslingerd die was, had hem meegenomen. En na de oorlog heeft mijn vader geen optreden van Ellington in de buurt van Nederland gemist.

Toen ik geboren zou worden was hij vastbesloten om Mood Indigo op te zetten. Daar had hij de voorbereidingen ruimschoots voor getroffen, het was de bedoeling dat het nummer zou klinken terwijl ik het levenslicht zag. Er is toen door een technische oorzaak iets misgegaan, mijn vader kan niet repareren, het enige dat volgens plan verliep was dat ik geboren werd, in een doodse, Ellingtonloze stilte.

Natuurlijk ben ik met hem meegegaan naar Paradiso. Ik ben dol op Ellington, maar mijn liefde is, besef ik, ondermaats, of beter: tweede-hands. Ik stond al voor Paradiso toen mijn vader aan kwam fietsen, en aan alles was te zien hoe vreselijk hij zich aan het verheugen was. Het duurde ontzettend lang voor hij alles op slot had, uit pure, handenwringende verheugenis. En ik wist: zoals hij straks weer van Mood Indigo gaat houden, dat zal van een andere orde zijn. Ik stel me zijn eerbied voor Ellington voor als een koraalrif. Het is sinds '39, toen hij de Duke voor het eerst in levenden lijve aanschouwde (na zich daar tot bijna bloedens toe op verheugd te hebben), alleen maar aangegroeid. Het is een organisch, kostbaar groeisel om een Grote Herinnering heen geworden, wat zeggen wil: telkens wanneer mijn vader naar Ellington luistert kán de eerste herinnering, en het eerste verheugen, levend worden. In die zin is de liefde van jazzliefhebbers, zeker wanneer zij de leeftijd van mijn vader hebben bereikt, iets uitzonderlijks. Ze zijn er meer dan vijftig jaar geleden bij geweest. Het is een ander soort liefde dan die van, zeg, Ton Koopmans voor Bach. Jazzliefhebbers die de gouden periode hebben meegemaakt verhouden zich tot hun concertervaringen als de evangelisten tot het ware Pasen.

Dat was ook goed te merken aan de man die de Big Band leidde en de composities inleidde. Hij was Amerikaan en heette Gunther Schuller. Mijn vader noemde zijn naam met de speciale laconieke eerbied van jazzfanaten onder elkaar. Schuller was weliswaar één jaar jonger dan hijzelf, maar had honderden concerten van de Duke meegemaakt, en had zelfs een auditie bij hem gedaan, als hoornist. Uiteraard was mijn vader er in geslaagd Schuller een dag eerder, na een lezing, de hand te schudden. Nu had hij iemand de hand geschud die Ellington de hand had geschud. Weer begreep ik hoeveel liefde voor jazz te maken heeft met inwijding. Zoals een priester tijdens zijn inwijding de zegen krijgt van iemand die de zegen, in een directe lijn, uiteindelijk van Petrus heeft gekregen, zo sta ik nu, via mijn vader, in een rechtstreeks, lichamelijk contact met de man wiens Mood Indigo had zullen klinken toen ik geboren werd.

Gunther Schuller verluchtte het concert, dat hij ook dirigeerde, met leerzame, inspirerende praatjes. Hij was er zich van bewust, vertelde hij meteen, dat een concert als dit een filosofisch probleem stelde. Jazz, zei hij, is bij uitstek de kunstvorm van de levende inventie. Zij wordt beoefend, en ontwikkeld, door mensen die, tijdens een per definitie uniek optreden, hun muziek weer een stapje verder brengen. Dat 'verder brengen' was van oudsher ook de raison d'

être van de jazz geweest. Verder, almaar verder.

Hoe moet je een concert, waar zelfs een solo uit '41 van, zeg, Ben Webster noot voor noot wordt nagespeeld, dan waarderen? Voor Schuller leed het geen twijfel, of er had altijd zóveel vast gelegen in Ellingtons muziek, dat het zin had om haar, als een soort klassieke muziek die toch swingde, te reproduceren. Tijdens zo'n reproducerend concert zou je iets meemaken wat je per plaat of cd niet meemaakt. Iets wat bovendien nooit overtroffen is. De karavaan is verder gegaan, maar de oases blijven bezoekenswaard, want onovertroffen.

Zo ongeveer sprak Schuller, en hij had gelijk. Het was een swingend en rijk concert, dat bewondering afdwong voor de jonge musici van het Hilversums Conservatorium, dat een steeds grotere faam begint te krijgen als opleiding voor jazzmuzikanten.

Toch was het uiteindelijk effect van de middag op mij eerder dramatisch, of scènisch, dan muzikaal. Ik was mij méér bewust van de ruimte waarin ik verkeerde dan wanneer ik echt, 'op eigen kracht', van een concert geniet. Wat mij opviel bijvoorbeeld was hoe vaak mijn vader mij aanstootte om me te wijzen op een wending in de muziek die op het punt stond hoorbaar te worden. Wat wendingen betreft is het alsof de muziek van Ellington een kaleidoscoop is waar steeds, met een onmerkbaar schokje, alles van kleur verschiet zonder van essentie te veranderen.

Het moet heerlijk zijn om deze wendingen te kunnen voorspellen, zoals de ware Ellingtoniaan dat kan, omdat hij de versie waar het om gaat tientallen keren op de plaat heeft gehoord. Ik begreep dat mijn vader, telkens wanneer hij mij dreigde aan te stoten (iets wat hij nu en dan, geloof ik, trachtte te vermijden), even degene werd die ooit deze wending voor het eerst hoorde, en er door verpletterd was. En nu was hij er de aankondiger van geworden. Misschien is men dán wel het meest een Ellingtoniaan. Het moet, tijdens het luisteren, zijn alsof de muziek uit je zelf voortspruit. Als maakte je deel uit van haar schepper.

Dat was het onmiskenbaar liturgische van dit wonderlijke concert. Veel toeschouwers hoorden iets wat er misschien niet was, maar waar zij, door er op vooruit te lopen, op konden rekenen.

Na afloop van het concert vertelde ik mijn vader dat ik een week eerder de Matthäus Passion had bijgewoond in mijn woonplaats. Bijwonen is een goed woord voor zoiets. Toch was mij daar, probeerde ik uit te leggen, iets overkomen waarvan ik dacht dat het mijn vader zojuist in Paradiso was overkomen. In de Matthäus zullen namelijk op zeker moment blokfluiten klinken, onder andere onder de woorden: 'Er hat uns allen wohlgetan'. Die passage is een kindertijdherinnering van mij - want mijn vader speelde, in de jaren vijftig, die blokfluitpartij, samen met Johannes Colette, ook in de Grote Kerk in Naarden. In principe beschikte ik dus over een herinnering aan op Goede Vrijdag luisteren naar de radio en aan mijn moeder die zegt: nu komt het, nu komen pappa en oom Johannes. Maar die herinnering had ik nooit gehad.

Toen in de Grote Kerk die passage kwam, in het geheel niet gespeeld door mijn vader en oom Johannes, was het alsof ineens de muziek uit de kerk tuimelde, uit de tijd, mijn hoofd in, om dáár alsnog uit een radio te beginnen te klinken. 'Nu komen pappa en oom Johannes'.

Het klonk niet zoals het klonk; het klonk ook niet zoals het eind jaren vijftig heeft geklonken. Het is zelfs maar de vraag of je dit nog 'klinken' kunt noemen. Het was meer wekken. Het wekte iets dat ik, op de keper beschouwd, niet eens 'vergeten' was, zo onherroepelijk verdwenen leek het te zijn. Toch werd het gewekt.