Een Nederlandse luxe; De Friese poëzie: genieten in twee talen

De Friese cultuur is onmiskenbaar een Nederlandse cultuur, maatschappelijk, religieus en zelfs literair, zoals uit de nieuwe, tweetalige bloemlezing 'Friese poëzie - van de zeventiende eeuw tot heden' blijkt. “Misschien dat ik sommige Friezen op hun heitelânske ziel trap, maar ik wil hier benadrukken dat ik het merendeel van de Friese gedichten, in vertaling, naar toon en beeld typisch Nederlands vind.”

Teake Oppewal (samenstel.): Friese poëzie - van de zeventiende eeuw tot heden. Uitg. Meulenhoff, 320 blz. Prijs ƒ45,- of ƒ65,-(gebonden).

Een van de ergste splijtstoffen die de mensheid verdeeld houdt is de taal. Het is het meest polariserende verschijnsel dat er is. Talen groeien uit elkaar (denk maar aan het Duits en het Nederlands die ooit één taal geweest zijn), nooit naar elkaar toe. Er is, buiten de kunst- en pidgin-talen, geen taal die een compromis is van twee andere, met elkaar wedijverende talen. Waar mensen die verschillende talen spreken elkaar in de haren vliegen, zou je terwille van de vrede wensen dat die mensen tweetalig waren, opdat ze in staat waren elkaar te begrijpen en toe te geven. Wie twee - of meer - talen spreekt zou bij een ruzie dan 'de wijste' zijn - in alle opzichten.

Toen in 1066 na de verloren slag bij Hastings de Engelsen de Franse taal over zich heen kregen, waren uiteindelijk zij de overwinnaars die in staat waren zowel Engels als Frans te spreken; want laat de ene taal de ander overheersen, sterven doet een taal niet zolang er nog mensen zijn die deze taal spreken. Zo is evenmin onder de almacht van het Frans in Vlaanderen het Nederlands ten onder gegaan. Integendeel, juist door zich het Frans meester te maken, lijken in de Belgische taalstrijd anno 1995 de Vlamingen het van de eentalige Walen gewonnen te hebben. Zo zal in de Europese Unie de animositeit tussen de diverse talen niet resulteren in een overwinning van één van de talen, maar in een overwinning van hen die de meeste talen spreken. Zonder twijfel is het Engels op het ogenblik 's werelds populairste taal. Maar de Britten, en Amerikanen, die daaruit willen afleiden dat zij geen vreemde talen hoeven te leren, zullen uiteindelijk aan het kortste eind trekken.

Tot deze en andere overwegingen kwam ik tijdens het lezen van de grote bloemlezing van Friese poëzie, eind vorig jaar verschenen bij Meulenhoff, Amsterdam - in het Nederlands en het Fries. Het boek bereidde me hetzelfde soort plezier als, kort ervoor, de aankoop van het volledige Frysk Wurdboek.

Het Fries ligt mij om persoonlijke redenen na aan het hart. Het 'nut' van die taal voor een niet-Fries is beperkt. Ik schat dat ongeveer 3 procent van het Nederlandse volk Fries spreekt en dat ongeveer 5 procent het verstaat. Het vormt dus een zeer kleine minderheid en is voor het Nederlands nooit een bedreiging geweest. Nagenoeg alle Friezen zijn op z'n minst tweetalig en als Friesland economisch een interessantere provincie was geweest, zou die tweetaligheid hun tot voordeel zijn geweest. De Friezen waren vroeger een veel groter volk. Wonend aan de kust van Denemarken tot aan Zeeland, hadden ze in het oosten de Saksen als buren en in het zuiden de Franken. Zo stadig aan heeft het Fries plaats gemaakt voor het vanuit het binnenland naar de kust strevende Duits en dat wat later het Nederlands zou worden. Het Fries is dus ouder dan het Nederlands. De bloemlezing geeft om te beginnen een paar voorbeelden van Oudfries, die ik u niet wil onthouden (het eerste van omstreeks 1300, het tweede van omstreeks 1460):

De fiif kaaien (sleutels) fan de wysheid

Thet sprec thi wisa Salemon, ther was allere ertherskera monna wisest, thet ma alle wished age te vndslutane mith fif keiem. Thera fif keia het allera ec sinne noma end ene sunderge wald.

(Dit sprak de wijze Salomo, die de meest wijze van alle mannen op aarde was, dat men alle wijsheid met vijf sleutels moet ontsluiten. Elk van deze vijf sleutels heeft zijn eigen naam en een bijzondere macht.)

Ivichheidsformule

alsoe langhe, soe di wynd fan dae vlkenum wayth ende ghers groyt ende baem bloyt ende dio sonne optijocht ende dyo wrald steed(zolang als de wind van de wolken waait en het gras groeit en de boom bloeit en de zon opgaat en de wereld bestaat)Onmiskenbaar is de verwantschap van de Oudfriese taal zowel met het (latere) Nederlands als met het Engels. 'The national language that is the closest relative of English is Dutch', las ik 's in een Amerikaans boekje over taal. De schrijver had er aan kunnen toevoegen dat de brug die het Engels met het vasteland verbindt onderweg vlak voor de Nederlandse kust nog een pijler in het Fries heeft.

Land zonder heer

De inleiding van de bloemlezing geeft een uitstekend beeld van Frieslands (on)afhankelijkheid van Holland, door de eeuwen heen. We lezen: 'In de loop van de 14de eeuw wordt de invloed merkbaar van het Nederlands als administratieve schrijftaal naast het Fries, maar er blijft een zeker evenwicht bestaan in het gebruik van beide talen in het schriftelijk verkeer. Dat verandert na 1498 wanneer Friesland zijn status van 'Land zonder heer' verliest doordat Maximiliaan aan Albrecht, hertog van Saksen, het gewest in leen geeft. Met de nieuwe heer komen er vreemde ambtenaren die een vreemde taal spreken. Wanneer Friesland rond 1580 in het verband van de republiek zijn onafhankelijkheid herkrijgt, is wat men noemt de verkeerde plooi gelegd en is het Fries geen schrijftaal meer. (-) De tijd van de reformatie en de renaissance, voor het Nederlands de periode waar de vorming van de cultuurtaal zijn beslag kreeg, kwam voor het Fries te laat. De taal leefde op het platteland verder als volkstaal, die voor de beter opgeleiden alleen tot vermaak kon dienen.'

In dat kader moeten de fameuze 'Vredeman-sankjes' worden gezien, een aantal bij toeval ontdekte 'erotische', nou ja, vrijmoedige versjes (omstreeks 1600 geschreven), waarvan ik er een citeer:

Nu, payerke, nu! com, pay my den red!

Ick liaeu du wirste nein payen sed.

Al jough ick dy tusen patkes deis

Allijckewol seiste: jitte reis.

(Kom zoenertje, kom! zoen me dan snel.

Ik geloof je wordt nooit het zoenen zat.

Al gaf ik je duizend zoentjes per dag

Toch zou je zeggen: nog een keer.)Gedicht werd er dus wel, in Friesland. Maar voornamelijk om het werk te reciteren in huiselijke kring. Van Gysbert Japicx (1603-1666), de beroemdste Friese dichter, is tijdens zijn leven niets in druk verschenen. Japicx is een typische renaissancedichter, ingewikkeld, maar mooi als je je ertoe zetten wilt hem te begrijpen. Zoals het bekende 'Juwn bede' (Avondgebed), waarvan ik hier de eerste strofe geef:

Nacht-rest-bejerte, aef juwn-bede

Nu iz de Dey forronn' mey uwre' in stuwne

Oermits de Sinn' dol-duwck't, ijnn' wettersgruwne.

Meyts' uwz nu Sliep (fen God, om restjen,juwne)

Deys lest onbuwne.

In vertaling (van Douwe Tamminga):

Avondgebed

Nu is de dag vergaan met ure en stonden

Vermits de zon zinkt in der waat'ren gronden.

Maak ons nu, Slaap, ter rust door God ge-zonden

Daags last ontbonden.

De bloemlezing besteedt aan Japicx zestien bladzijden. Vijf bladzijden verder zitten we al in de negentiende eeuw. Holland had in de achttiende eeuw geen dichters van belang, Friesland blijkbaar evenmin.

Taalbehoud

Niet bekend

Na lezing van Friese Poëzie besefte ik hoe vertrouwd over het algemeen de gedichten mij voorkomen - in vertaling. De Friese cultuur is onmiskenbaar een Nederlandse cultuur: maatschappelijk, religieus en zelfs literair. Heel anders dan bijvoorbeeld de Catalaanse cultuur, die niet typisch Spaans is, en de Oekraïnse cultuur, die niet typisch Russisch is. Misschien dat ik sommige Friezen op hun heitelânske ziel trap, maar ik wil hier benadrukken dat ik het merendeel van de Friese gedichten, in vertaling, naar toon en beeld (het landschap, het water, het zeilen, schaatsen en fietsen, tot en met de snelbinders toe) typisch Nederlands vind - zoals ik ook Friesland, en in het bijzonder het Friessprekende gedeelte, een typisch Nederlandse provincie vind, veel meer bijvoorbeeld dan Limburg of Noord-Brabant.

De meeste gedichten zijn speciaal voor deze uitgave vertaald. Onontkoombaar bij een tweetalige dichtbundel is het voortdurende 'vergelijkend onderzoek'. Waarom heeft men gekozen voor juist die vertaling en was een andere, meer letterlijke, of juist vrijere vertaling niet mooier geweest? Een voorbeeld (uit het gedicht Stadspark van Wybinga):

Wy sille 't derom net foar feint en faam ferbal-je

as dy har djoeisk ontjaan yn 't publike gers -

tasicht op de seden leit net op ús wei.

Wij zullen dus het stelletje beslist niet storen

als dat zich dartel weert in 't publieke gras -

zedelijk toezicht ligt niet op onze weg.

In de bovenstaande regels zou ik het letterlijke 'toezicht op de zeden' hebben geprefereerd boven wat er nu staat: 'zedelijk toezicht' - wat mogelijk door het verlangde ritme wordt gerechtvaardigd, maar toch de betekenis van de regel verzwakt. Wellicht zag de vertaler kans de ongewilde herhaling van het woordje 'op' te vermijden en heeft hij dus het 'foutje' van de dichter willen verbeteren? In het algemeen kiest de vertaler, waar dit dilemma zich voordoet, voor de vorm en niet voor de inhoud. Misschien dat men daaraan de kwaliteit van een vertaling - en van de vertaler - pleegt af te meten. Het is waar: ook in deze bundel zijn tal van vertalersvondsten te bewonderen. Maar tevens blijkt deze beroepsdwang om te kiezen voor ritme en rijm tot potsierlijke resultaten te kunnen voeren, zonder dat het gezonde verstand nog in staat is in te grijpen.

Soms moet je de vertaler van een zekere gemakzucht verdenken. Een strofe uit de bekende 'Ballade fan Longerhou' (van Altena) luidt als volgt (het gaat over een schaatser):

Hy sloech de skossen út 'e baan

En rekke op 'e kletter.

En doe't er by in brêge kaam

Fleach er himsels te pletter.

Letterlijk:

Hij sloeg de schotsen uit de baan

En raakte op drift.

En toen hij bij een brug kwam

Vloog hij zich te pletter.

Dit rijmt en loopt niet, maar wat maakt de vertaler ervan?

Hij sloeg de schotsen uit de baan

Het was een heel gekletter.

En toen hij bij een brugje kwam

Vloog hij zichzelf te pletter.

Zo rijmt en loopt het wél. Je kunt het Friese woord gewoon laten staan omdat het ook een Nederlands woord is - zij het met een heel andere betekenis. De kunst van het vertalen bestaat misschien wel hieruit, dat men koste wat het kost het rijm handhaaft of een nieuw rijm introduceert, daartoe eventueel wel de oorspronkelijke betekenis loslaat, maar op een elegante wijze weer daartoe weet terug te keren.

Een vraag die mij altijd intrigeert is: kan een gedicht ook nog winnen door een vertaling? Misschien mag ik u een geval voorleggen. Een wonderlijk soort van 'vertalersvrijheid' kwam ik tegen bij een mooi gedicht van Harmen Wind (1945, ook als Nederlands dichter niet onbekend), 'Dit noch', een brief tijdens de val van een vliegtuig, geschreven door een van de passagiers (laatste twee strofen):

In reisferslach: wy ferlieze

hichte, fine de ein fier

foar de bestimming; ik bin

net fergees berne mem.

Dit noch te dwaan, de tiid

nimme om te groetsjen dy't

dy leaf binne. En yn dy sin

foar altiten te bliuwen.

De vertaling luidt:

Je herinnert jezelf al: Wij verloren

hoogte moeder, vonden het einde ver

voor de bestemming, wij zijn

niet voor niets geboren.

Dit nog te doen, die je lief zijn

groeten zo lang als het duurt.

En daar dan midden in de zin

voorgoed mee op te houden.

Niet alleen dat de vertaling aanzienlijk afwijkt van het origineel, ze is ook heel wat minder fraai. Het vreemde is dat de vertaler... Harmen Wind zelf is. Dus hij kan het weten, zou je zeggen. Eerder vermoed ik dat de dichter de gelegenheid heeft aangegrepen met de vertaling een soort van variant te schrijven.

Hoeveel mooier zou niet de volgende letterlijke vertaling geweest zijn:

Een reisverslag: wij verliezen

hoogte, vinden het einde ver

voor de bestemming; ik ben

niet vergeefs geboren mam.

Dit nog te doen, de tijd

nemen om te groeten die

je lief zijn. En in die zin

voor altijd te blijven.

In de laatste versregel klinkt de bekende slotformule van brieven mee. 'Voor altijd blijven' is 'verblijven', waardoor 'zin' nog een diepere betekenis krijgt. Alleen in het Nederlands, niet in het Fries - volgens mij. Een gemiste kans!

Ik heb de gedichten meestal eerst in het Nederlands gelezen, maar soms ook eerst in het Fries. Vaak kwam het woordenboek er aan te pas, uit noodzaak of alleen maar uit nieuwsgierigheid; de gelegenheid een woordenboek te raadplegen moet je nooit voorbij laten gaan. Voor een Nederlander is kennis van de Friese taal, als je geen schaatser of zeiler bent, geen noodzaak. Het is eerder een soort luxe. Maar dat is het lezen van gedichten ook.

Al myn libbens freugden

Al myn libbens freugden sitte yn de prunusbeam mei in inkeld giel blêd dat trillet

Yn de wolkens dy't út it suden it loftrom lâns skowe

Yn de blommen fan de attinsje der de sinne op skynt:

It is de ljochtskyn fan it wetter dat yn de leie stiet

De tyljens geur fab de rûchskerne yn it foarjier

It sjongende ld fan de rotgânzen op de waad.

Mar it is ek memme fleurige jonkheid sa 't hja meiïnoar yn de moanneskyn de opfeart del ride

It is heite bliidskip as er yn de poëzij fan de dichters syn leafde belibbet

It is pake en beppe ljochte útgong as hja hân by hân de jonge maitiid yn 'e mjitte gean.

O, en faaks is it eat fan de dream fan de fromme

As er de ingels har blanke wjokken iepen tearen sjocht.

OBE POSTMA

Alle vreugden van mijn leven

Alle vreugden van mijn leven zitten in de prunusboom met een enkel geel blad dat trilt

In de wolken die uit het zuiden het luchtruim langs schuiven

In de bloemen van de attentie waar de zon op schijnt:

Het is de lichtglans van het water dat in de slenk staat

De welige geur van de mestvaalt in het voorjaar

De zangerige roep van de rotganzen op het wad.

Maar het is ook moeders zorgeloze jeugd zoals ze in de maneschijn samen de vaart uit schaatsen

Het is vaders blijdschap als hij aan de poëzie van de dichters zijn hart ophaalt

Het is het licht geluk van opa en oma als ze hand in hand de jonge lente tegemoet gaan.

O, en misschien is het iets van de droom van de vrome

Als hij de engelen hun blanke vleugels ziet openvouwen.

OBE POSTMA

Vert. Jabik Veenbaas