Een Napoleon onder de Symphonieënschrijvers; Het begin van de Nederlandse Mahlertraditie

Hoewel Amsterdam in Nederland de grootste Mahler-traditie heeft, vond de eerste uitvoering van zijn muziek plaats in Arnhem. Tijdens Mahlers leven werd zijn muziek in Nederland bijna veertig keer uitgevoerd, waaronder elf keer onder leiding van de componist zelf. “Voorzeker zullen bij deze eerste kennismaking velen vreemd tegenover dit werk staan, en er ook wellicht vreemd tegenover blijven staan bij herhaaldelijk aanhoren.”

De Mahlertraditie in Nederland begon niet in Amsterdam, maar in Arnhem. Op 17 oktober 1903 werd in de concertzaal Musis Sacrum voor het eerst muziek van Mahler - de Derde symfonie - uitgevoerd door de 113 musici van de Arnhemsche Orkest Vereeniging en het Utrechts Stedelijk Orchest onder leiding van Martin Heuckeroth. De Arnhemse dirigent was in juni 1902 op een muziekfeest in Krefeld aanwezig geweest bij de wereldpremière van het werk, gedirigeerd door Mahler zelf. Er was in Krefeld meer Nederlandse belangstelling: Henri Viotta, de oprichter en dirigent van de Wagnervereeniging, en Willem Mengelberg, sinds zeven jaar de dirigent van het Concertgebouworkest.

In de recensie van het Arnhemse concert in de Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef W.N.F.

Sibmacher Zijnen hoe hij Mahler daar in Krefeld had gezien: “Ik zie hem met zijn scherpe trekken nog gaan door de zaal, klein van postuur, met onvasten gang, in gebogen houding met zoekende, bijziende ogen, met 't druk armbewegen van den zenuwmensch; maar aan den lessenaar plotseling een ander man, vierkant rechtop, met rustige en zekere armgebaren nu, een dirigent van eenvoud en groot gezag. Deze indruk is niet te vergeten: zijn mooi phraseren, zijn kunstvol voorbereiden van elke climax, zijn uiterst scherp scheiden der muzikale periodes, zijn bezieling!”

Bij de Arnhemse uitvoering van de Derde symfonie was de publieke belangstelling gering, maar muzikaal was het concert een groot succes. Toen Heuckeroth kort daarop Mahler in Amsterdam ontmoette zei Mahler: “Bent u Heuckeroth? Ik heb gehoord dat het heel goed moet zijn gegaan! Waar heeft u de moed vandaan gehaald!”

Nog vóór de Arnhemse uitvoering van de Derde symfonie had Willem Mengelberg Mahler zelf geëngageerd om de Amsterdamse première van hetzelfde werk persoonlijk te dirigeren in het Concertgebouw. Arnhem had wel de Nederlandse primeur van Mahlers muziek, het concert in Amsterdam had vijf dagen later meer glans. Daar verscheen de componist, die vooral wereldberoemd was als dirigent van de Keizerlijke Hofopera in Wenen. Hoe de verhoudingen lagen blijkt ook uit het feit dat Mengelberg het werk tevoren met zijn musici had ingestudeerd, zodat Mahler nog slechts zijn persoonlijke toets hoefde aan te brengen.

Mahler logeerde bij Mengelberg thuis in de Van Eeghenstraat, waar hij in de keuken Edammer ('Eidamer') kreeg, zoals hij naar zijn echtgenote Alma in Wenen schreef. Hij was zeer tevreden over de eerste repetitie: “Zien en horen vergingen mij, toen mij Derde begon. (-) De uitvoering wordt erg mooi, mooier dan in Krefeld.”

Natuurklanken

De dag na het concert schreef het Algemeen Handelsblad: “Een triomf voor ons orkest was deze uitvoering, want zelden of nooit heeft het voor zulk een zware taak gestaan. En onder de fascineerende leiding van den grooten Weener componist en kapelmeester heeft deze Symphonie eene vertolking genooten, zooals Mahler zelf verklaard moet hebben, nog niet van zijn werk te hebben gehoord, waartoe het koor van Toonkunst (dameskoor) en het jongenskoor (van de Vereeniging tot Verbetering van den Volkszang) eveneens veel hebben bijgedragen.”

Bij Mahlers eerste bezoek aan Amsterdam werd de Derde symfonie twee keer uitgevoerd en de Eerste symfonie één keer. Van Milligen beschreef in het Algemeen Handelsblad het werk als een ontwikkeling van “grillige, doch rake natuurklanken, naar het diepe leven van den Uebermensch”, uitlopend op een “geestelijke Erlösung.” Hij schreef ook vooruitziende woorden: “Voorzeker zullen bij deze eerste kennismaking velen vreemd tegenover dit werk staan, en er ook wellicht vreemd tegenover blijven staan bij herhaaldelijk aanhoren.” Die aanvankelijke reserves tegenover Mahler verdwenen bij velen in ons land wel snel - mede door de frequente uitvoeringen van Mengelberg - maar bleven daarbuiten inderdaad veelal nog decennia lang, tot de jaren '60 voortbestaan.

Van Milligen betreurde in 1903 dat de Tweede symfonie niet aan de uitvoering van de Derde vooraf was gegaan. Mahlers Eerste werd in het Handelsblad “ondanks zijn vele schoonheden” beschouwd als een “niet geheel rijp” werk. De recensent Anton Averkamp had liever de Vierde symfonie gehoord van de componist die “behoort tot de interessantste verschijningen van den tegenwoordigen tijd.”

Een jaar later werd tegemoetgekomen aan de wensen van beide recensenten: Mahler dirigeerde in oktober 1904 de Vierde en de Tweede symfonie in Amsterdam.

In de zaterdagkrant van het Handelsblad vóór de concerten werden beide symfonieën uitvoering geanalyseerd. Ook werden de teksten van de gezongen delen afgedrukt. Na het succesvolle concert met de Vierde symfonie voospelde het Handelsblad (achteraf terecht) dat het werk een vaste plaats op het repertoire van het Concertgebouworkest zou krijgen.

Ook was er lof voor het feit dat de Vierde tijdens het concert tweemaal was uitgevoerd. “Geschiedde dit vaker, dan zou niet zoo menigmaal een werk onbegrepen aan vele hoorders voorbijgaan; bovendien kan het dit voordeel hebben, dat ook de uitvoerders bij de tweede maal nog beter vertrouwd raken met het werk.”

Mahler kwam nog twee keer terug naar Amsterdam. In 1906 dirigeerde hij de Vijfde symfonie, de Kindertotenlieder en Das klagende Lied.

In 1909 introduceerde Mahler zijn Zevende symfonie.

Al deze stukken werden daarna ook uitgevoerd onder Willem Mengelberg, deels ook in Rotterdam en Den Haag. Ook Alphons Diepenbrock, leraar oude talen en componist, die een groot vriend van Mahler was geworden, dirigeerde bij het Concertgebouworkest enkele keren zijn muziek.

Injecties

Ook zonder het Concertgebouworkest klonk er Mahler in ons land: het Berlijns Pilharmonisch Orkest speelde in 1905 de Vijfde symfonie in het Scheveningse Kurhaus en Henri Viotta dirigeerde de Vierde symfonie bij het Residentie Orkest. Tijdens Mahlers leven werd zijn muziek 39 keer in ons land uitgevoerd, waarvan elf keer onder leiding van Mahler zelf.

Welke blijvende plaats Mahler binnen acht jaar in het Nederlandse muziekleven had ingenomen, blijkt uit de krantenverslagen na zijn dood op 18 mei 1911 in Wenen. Zijn overlijden op 50-jarige leeftijd kwam voor de correspondenten van NRC en Handelsblad niet onverwacht. De Weense correspondent van de NRC seinde: “Nadat de toestand gisteravond erger geworden was, is Mahler buiten kennis geraakt; de injecties hielpen niet meer en om vijf minuten over elf is de kunstenaar aan longverlamming overleden.”

Het Algemeen Handelsblad schreef: “De vrees, door de angstwekkende berichten over Mahlers verblijf te Parijs opgewekt, door de aanvankelijk gunstiger tijdingen in Weenen niet verjaagd, is treurige zekerheid geworden: zijn leven is afgebroken. Gisteravond om elf uur heeft Mahler den geest gegeven, en deze mare zal in de Europesche landen, niet minder in Amerika, waar zijn laatste werkzaamheid ligt en de doodelijke ziekte hem aanviel, groote deelneming en verslagenheid vinden.”

Ook de NRC-correspondent uit Boedapest, waar Mahler als dirigent de opera roem had verschaft, meldde zijn overlijden. “In 1888 kwam hij naar Boedapest, een jong onaanzienlijk manneke, dat door zijn uiterlijk zeker niet den minsten indruk op het personeel kon maken dat hij moest lijden. (-) Het was de glanstijd van de opera, die in die dagen zelfs beter was, dan die te Weenen.”

De NRC beschreef Mahler als “een Napoleon onder de Symphonieënschrijvers, een groot man”, roemde zijn werklust als componist naast zijn werk als dirigent en overwoog dat “een Symphonie van Mahler naar de hoeveelheid arbeid gerekend, wel tegen twee à drie symphonieën van Beethoven opweegt.”

Uitvoerig berichtten de beide kranten vanuit Wenen en Amsterdam over de vele reacties op Mahlers dood en de voorbereidingen van zijn begrafenis. Alphons Diepenbrock en Concertgebouwbestuurder De Booy, die Mahler had gefotografeerd tijdens zijn wandelingen in het Gooi, reisden naar Wenen voor het bijwonen van de begrafenis op het Grinzinger kerkhof, naast Mahlers vroeggestorven dochtertje. De plechtigheid had plaats in de stromende regen. Er werden ook kransen gelegd namens het Concertgebouw, de Maatschappij Toonkunst en Hollandse vrienden en vereerders.

De NRC-correspondent besluit zijn sobere verslag met de mededeling dat iedereen die dat wilde een kluit aarde in het graf kon werpen “waarop men geroerd naar huis ging.” Over zijn eigen rouwbetuiging schrijft hij niets. Dat deed wel het Algemeen Handelsblad: “Een krans was er ook van den correspondent der Nieuwe Rotterdamsche Courant te Weenen, dr. Rive.”