Een kudde koeien schreiend in de wind; Wat verwacht de expositie World Press Photo van haar bezoekers?

In de fotojournalistiek worden schokkende, maar afstandelijke foto's steeds minder belangrijk, blijkt op de tentoon-stelling van World Press Photo. De fotograaf mag zich niet meer afzijdig houden, zijn betrokken-heid moet uit de beelden spreken. “Om de mens-heid de aangrijpende beelden van haar strijd en pijn te mogen ontfutselen moet de fotograaf in moreel opzicht een held zijn.”

World Press Photo. Nieuwe kerk, Amsterdam. T/m 5 juni. Dag. 11-17u. 4 en 5 mei gesloten. Daarna tournee o.a. Utrecht en Maastricht (Politiebureau Paardenveld resp. Dominicanerkerk 28 april t/m 21 mei) en Rotterdam (Nederlands Fotoinstituut 2 juni t/m 2 juli). Jaarboek World Press Photo 1995. 132 blz. Prijs ƒ27,50.

De meeste beelden van rampgebieden en brandhaarden, verboden zones en besloten bijeenkomsten zien we via het televisiescherm. Ze zijn matig van kwaliteit, maar ze bereiken ons met grote snelheid en ze bewegen. Hun anonieme herkomst en fragmentarische karakter geeft hen iets machinaals en juist in hun gebrekkigheid kunnen televisiebeelden gemakkelijk doorgaan voor een directe weergave van de werkelijkheid. Alsof er een wereldomspannend netwerk van volautomatische mobiele camera's is, dat op onze beeldbuizen de wereldgebeurtenissen doet aanspoelen.

Maar grote sportevenementen, geruchtmakende strafprocessen, demonstraties, schandalen en terroristische aanslagen maken ons duidelijk dat er veel zaken niet of heel anders zouden plaats vinden als er geen televisiecamera's bij zouden zijn. De Roemeense revolutie en de Golfoorlog hebben laten zien hoe bedriegelijk de schijn van volledigheid en werkelijkheid kan zijn die door de live en directe televisieverslaggeving wordt gewekt. En dan hebben we het alleen nog maar over de nieuwsuitzendingen en laten we het echte leugenachtige werk, de zogenaamde reality-tv buiten beschouwing.

Tegen deze achtergrond van groeiende twijfel en verwarring omtrent de betrouwbaarheid van mediabeelden is de emancipatie van de persfotografie te begrijpen. Tegenover de machinale stroom van quasi-objectieve flarden wereldnieuws lijkt er steeds meer behoefte aan het onderscheiden van kwalitatief betere beelden, die het nieuwsfeit verslaan, maar zich ook laten lezen als een toegang tot sociale en morele dilemma's achter de feiten en hun verslaggeving. Het toenemend prestige, het groeiend aantal inzendingen en steeds groter aantal plaatsen waar de winnende foto's van de World Press Photo competitie getoond worden, zijn daar tekens van. De van oorsprong Nederlandse stichting is uitgegroeid tot de organisator van de grootste en belangrijkste wedstrijd voor fotojournalistiek ter wereld. Het is jaarlijks aan een negenkoppige internationale jury om door onderscheidingen in 17 categorieën de stand van zaken in de fotojournalistiek op te maken.

Tweede leven

Het gaat de stichting er niet om een beeld te geven van het wel en wee van de mensheid in het afgelopen jaar. Haar doel is het om aandacht voor het vak te scheppen en te stimuleren. Het werk van de winnaars wordt uit de beeldenstroom getild en op een erepodium geplaatst, waar kwaliteit en moed worden onderscheiden. Het nieuws dat we te zien krijgen op de tentoonstelling of in het begeleidende jaarboek is oud. De kranten en tijdschriften waarin de foto's werden afgedrukt zijn al maanden geleden in de kattebak of de papiermolen beland. Eenmaal opgenomen in de selectie van World Press Photo beginnen de beelden aan een tweede leven, het hiernamaals dat precies een jaar duurt. Daarin telt niet in de eerste plaats hun nieuwswaarde of informerende gehalte, maar hun Hoe, de manier waarop ze een beeld geven van hun onderwerpen. Ze zijn geen illustraties meer, maar poseren als zelfstandige beelden.

Het minst verwarrend is dat in het geval van afzonderlijke foto's in de categorie sport, die door hun puur optische en esthetische effect verbluffen. De spatscherpe zweefduik van een keeper, de salto van een schoonspringer inclusief fraai wegspattend water, een zwevende schansspringer of zeven in de lucht hangende hordelopers. Hier gaat het om het ene moment dat niets anders dan zichzelf betekende. Al iets vreemder is het bij de foto's in de categorieën natuur & milieu en wetenschap. Een reeks kleurenfoto's over het betreden van een werkende vulkaan in de Ethiopische laagvlakte of die over het magazijn met crash-test poppen in de Volkswagenfabriek krijgen zonder omringend verhaal iets sprookjesachtigs. Ronduit onheilspellend is de prachtige serie van François le Diascorn over een enorme negentiende-eeuwse collectie opgezette dieren die werden gerestaureerd ten behoeve van de nieuwe Galerie d'Evolution in Parijs. De foto van een opgezet dier sticht vanzelf verwarring, omdat het niet zelden onmogelijk is te zeggen of het dier nu met de sluiter of met het mes is stilgezet. Maar in dit geval komen daar de bemoeienissen van de restaurateurs nog eens bij. Een angstige kat met drie knijpers op ieder oor of een oerang oetan in een plastic zak. Een boos kijkende uil in een netwerk van garen of een baviaan in een Ku Klux Klan outfit van papier. Het idiote is dat juist die onwaarschijnlijke toevoegingen de herinnering aan het geweken leven opwekken. Alsof de dieren al de bewerkingen en het gesol hebben overleefd en ons mensen tarten met hun levensechte oogopslag.

Wanneer de menselijke bemoeienis met het dier nog een stapje verder gaat, betreden we pas echt het domein van de horror. George Steinmetz maakte foto's in het Jackson laboratorium in Maine in de Verenigde Staten. Daar kweekt men genetisch gemanipuleerde muizen ten behoeve van onderzoek naar erfelijke ziektes. Niet in het jaarboek opgenomen, maar wel in de tentoonstelling te zien is het onthutsende beeld van een muize-mutant. Hij zit met een ouwelijke bultrug uitgeput op een glasplaat. Het is een volledig kale, albino muis, en dus roze. Maar alsof dat nog niet genoeg was hebben de onderzoekers hem overmatig dik gefokt, zijn oren lijken vetplanten. Hij bestaat eigenlijk helemaal uit verzakte huidplooien die zijn ogen vrijwel onzichtbaar maken en hem doen lijken op een gesmolten vetkaars. Het is iets als een honderd jaar oude muis, en hij biedt zo'n intens treurige aanblik dat je vermoedt dat hij maar aan één ding denkt: ik wil dood. Een foto die een afgrond van angstige gedachten opende.

Roes

Op de foto's uit Tsjetsjenië, Haïti en Rwanda staan mensen. We kijken ze soms recht in de ogen, we kennen ze niet. We zien ze sterven onder afzichtelijke omstandigheden, die we niet goed begrijpen. Het is onmogelijk om er niet door van je stuk gebracht te worden, maar de vraag is, wat gebeurt hier? Tussen ons en de foto's bedoel ik. Wat extra verontrust is dat deze beelden naar zichzelf verwijzen, dat hun presentatie uitdrukkelijk meer beoogt dan ons te vertellen wat er gebeurt of gebeurde. Ze zijn geen nieuws, maar ook geen kunst. Ze tonen zichzelf, hun virtuoze manier om complexe en exotische omstandigheden onmiddellijk in zogenaamd menselijke termen zichtbaar te maken. Er is dus helemaal niets meer tussen ons en de krachtige beelden van rauw menselijk lijden, geen roes van de actualiteit, geen commentaar, geen uitleg. Ergens in het schemergebied tussen hun context en de kunstfotografie gaan de World Press Photo's spoken. Ze herinneren ons aan iets dat we wereldnieuws en werkelijkheid noemen, maar tegelijkertijd nemen ze een algemenere, mythische gedaante aan. Zoals de foto's van de stapels uitgemergelde lijken in Bergen-Belsen voor de hele shoah kunnen staan, ja voor het absolute kwaad, zo zoekt de foto van de in shocktoestand verkerende Rwandese vrouw tussen een berg lijken een universele betekenis. Er is een foto van een Rwandees massagraf opgenomen, waarvan de compositie een directe echo is van de foto's uit de Duitse kampen.

Het wordt al wandelend in de World Press Photo tentoonstelling steeds minder vanzelfsprekend dat we te zien krijgen hoe mensen in een vluchtelingenkamp elkaar doodtrappen in paniek, of dat kleuters bovenop hun doodgeschoten moeder zitten te huilen. We worden kortom gelokt naar de herkomst van die beelden, naar een positie die lijkt op die van de fotograaf.

De voorzitter van de jury, Michele Stephenson, schrijft in haar voorwoord in het jaarboek over de verandering van de waardering van persfotografie. Tien of vijftien jaar geleden werden vooral de meest realistische Hard Nieuws-foto's met prijzen bedeeld. Nu zien we in het werk zelf de intense betrokkenheid van de fotografen bij hun reportages. Een beleefde en deftige manier om te zeggen dat het afstandelijk verslaan van leed en gruwelen dubieus geworden is. Een symptoom van de trend in de persfotografie die zich afkeert van cynisch professionalisme en het najagen van het shockeffect. Naarmate de persfotografie zich emancipeert en kwaliteit meer zoekt in een persoonlijke en expressieve aanpak, spelen morele overwegingen sterker mee. De ideale hedendaagse fotojournalist is ernstig en betrokken bij zijn onderwerpen. Hij is zich bewust van de overmijdelijke voyeuristische en exploiterende kanten aan zijn beroep. Tot slot koestert hij ondanks alles een geloof in de waarschuwende en opvoedende functie van zijn werk.

De rol van getuige en verlengstuk van onze beeldenhonger en ons geweten, mag alleen door een geloofwaardig iemand vervuld worden. Geen anonieme cameraman, maar een man met een visie en een verhaal. Om de mensheid de aangrijpende beelden van haar strijd en pijn te mogen ontfutselen moet de fotograaf in moreel opzicht een held zijn. Hij moet een missie hebben, waarom zou hij anders zijn leven wagen, waarom zouden wij anders zijn gruwelijke beelden mogen zien? Hij is onze plaatsvervanger, ons rolmodel bij het vinden van een houding tegenover de ondoorgrondelijke ellende waarin de mensheid zich verstrikt.

De jury heeft in James Nachtwey, maker van de World Press Photo van 1994, haar oog op iemand van dat type laten vallen. Iemand voor wie niet de schok telt, maar de synthese van eenvoud en wat hijzelf 'depth' noemt, je zou het 'vertelkracht' kunnen noemen. De keuze van de jury voor Nachtweys en profil genomen foto van het hoofd van een Hutu, die door stamgenoten met kapmessen is bewerkt, heeft in dit verband iets programmatisch. De foto toont geen beroemdheid of spectaculaire gebeurtenis, zelfs geen smartelijke oogopslag die ons aan een feit herinneren moet. Dit is een krachtige, simpele foto, die vraagt dat we zelf de context zoeken. We zien geheelde, slordig gehechte wonden, grote lange littekens. Vier lijnen met steeds een paar centimeter tussenruimte. Er mist een stuk van zijn oor. Dit zijn de sporen van een kapmes, het symbool voor de bloeddorst en waanzin van de Rwandese burgeroorlog. Hoewel de wonden genezen zijn lijkt de man nog steeds in shock, zijn oog staart verbijsterd naar de grond, zijn mond staat open. Er lijkt zomaar een brok tijd verdwenen en door de gezichtsuitdrukking van de man kunnen we de littekens lezen als sporen van iets wat nog niet voorbij is. Het bijschrift maakt het simpele beeld nog sterker. Daar staat dat de man door stamgenoten werd aangevallen omdat hij weigerde mee te doen met het vermoorden van Tutsi's. Sinds de aanval kan hij niet meer praten. Prachtig raadsel, want toch kennen we zijn verhaal en vertellen zijn littekens nu aan de hele wereld van de hel die Rwanda is.

Dozijn kapmessen

Naast de World Press Photo tentoonstelling is in de Nieuwe Kerk ook een solotentoonstelling van Nachtwey te zien. Veertig foto's uit de laatste jaren, gemaakt in Roemenië, het voormalige Joegoslavië, India, Rwanda en Tsjetsjenië. Er is er een bij die het complement vormt van de uitverkoren foto. Op de grond, achtergelaten in het gras liggen een dozijn kapmessen op een hoop. Achtergelaten door moordenaars die het land uitvluchtten naar Tanzania. Ze zien er roestig en zwaar uit, hun forse maat is goed afleesbaar aan de voet die nog in beeld is.

Volgens de voorzitter van de jury is de foto van het jaar ergens ook een hoopgevende foto. Omdat zij een Hutu laat zien die weigerde aan de volkerenmoord mee te doen en zijn weigering overleefde. Maar terwijl ik dit schrijf is het nacht in Rwanda en hoor ik op de radio dat de Tutsi-regeringstroepen opnieuw het vuur openen op de Hutu-vluchtelingen. Nu begrijp ik wel dat het in het kader van een deftige prijsuitreiking niet bon ton is om pessimistische geluiden te verspreiden, maar om nu te zeggen dat er in de tentoonstelling overal opbeurende beelden van hoop te vinden zijn, zoals de voorzitter beweert, is overdreven. De tentoonstelling als geheel laat een ernstig beeld zien, ook als er geen rampen en bloedbaden op de foto's staan. Volgens mevrouw Stephenson leverde de categorie Dagelijks Leven de lichtpuntjes als tegenwicht voor de gruwelen van Rwanda en Tsjetsjenië. Daar blijkt maar weer met hoeveel tegenstrijdige stemmen een beeld kan spreken. Waar zij verrukt is van de aanblik van het Bulgaarse platteland, gefotografeerd door Anthony Suau, zie ik een troosteloze, achterlijke verlatenheid. De serie die de Canadees Larry Towell van zijn eigen gezin maakte, schijnt in het tableau van de expositie iets van een familie-idylle te vertegenwoordigen. Maar de entourage is ook weer verlaten en armoedig; zelfs de zuigeling straalt een wezenloos soort ernst uit. Vreemd genoeg is het derde lichtpuntje wat de voorzitter noemt al in een even uitgestorven landschap gesitueerd en niet minder troosteloos. Het gaat om de serie die de Zwitserse Katrin Freisager maakte over het Lakota-volk in het Pine Ridge reservaat in North Dakota, USA. Foto's en bijschrift spreken van werkeloosheid, een traumatisch verleden en een hopeloze strijd tegen de blanke overheid. Eén van de foto's, van een mooie jonge moeder luisterend naar de illustere naam Tokahewin Clifford, met twee kleuters op schoot midden op de prairie, is verkozen tot Kinderpersfoto van het jaar. Maar ook hier nog geen glimlach, eerder een weemoedige vastberadenheid op de gezichten. Lachende mensen zijn er wel te zien in de Nieuwe Kerk, maar de meeste komen voor in de foto's die gemaakt zijn bij een Newyorkse modeshow, waar een lach bij de kledingvoorschriften hoort. Mij trof de prijswinnende serie in de categorie Sport van de Australier Stephen Dupont als een opwekkende reeks beelden. De reeks is een portret van de worstelschool van Goeroe Hanuman in Old Delhi in India. De oude is 95 en leidt zijn pupillen met straffe hand. We zien ze trainen, rusten, vechten en uit alles spreekt plezier en toewijding. Al is hun levenswijze dan karig en streng, deze worstelaars geloven in wat ze doen. Ze sporten lekker en het heeft allemaal nog een religieuze inspiratie ook.

World Press Photo is een poging tot zelfreflectie en een ernstig getoonzette opwaardering van de persfotografie. Dat werd dit jaar nog eens extra benadrukt door het dinsdag gehouden debat over de toekomst van de fotojournalistiek: ligt haar toekomst in de schokkende beelden of in complexere verslaggeving?

De tentoonstelling uitlopend stelde ik me even voor dat ik niet tot de menselijke soort behoorde en kennis van haar reilen en zeilen had genomen door een bezoek aan World Press Photo. Ik huiverde, wat een griezelig en ondoorgrondelijk slag, de mensen.

Maar tussen de menigte op de Dam hield ik even een andere gebeurtenis voor mogelijk, een wonderbaarlijke media-event: overal waar de World Press Photo tentoonstelling te zien is verzamelen zich na bezichtiging de bezoekers zwijgend op een plein en huilen. Ze staan als een kudde koeien in de wind en schreien. Niemand zegt een woord, toegesnelde reporters steken vergeefs microfoons onder de snikkende gezichten. Er komt geen commentaar. Overal ter wereld hetzelfde, in Toledo, Johannesburg, Vilnius, Kyoto, Peking, Oslo en San Francisco. Het is een onverklaarbare gebeurtenis, een geheimzinnige gelijkgestemdheid der harten. Het is een beeld, dat niet wordt toegelicht, alleen geduid door buitenstaanders. Het zou een soort tekstloze herdenking van het onbevattelijke Nu kunnen zijn, dat maar steeds wereldwijd gebeurt en om de een of andere reden duizenden per dag tussen zijn tandraderen vermaalt. Wie weet.