Een interessant lied over een schaap

Ian McEwan: De dagdromer. Vert. Heleen ten Holt. Uitg. De Harmonie. Vanaf 11 jaar. Prijs ƒ22,50.

Sommige schrijvers van literatuur voor volwassenen die voor de verandering een kinderboek schrijven, kiezen al te nadrukkelijk voor hun nieuwe publiek. Ze denken dat voor kinderen alles een toelichting behoeft. Zo begint het eerste kinderboek van de Britse schrijver Ian McEwan, De dagdromer, met een overbodige introductie van de hoofdpersoon. Daarin wordt verteld dat, zoals al uit de titel van het boek blijkt, de tienjarige Peter Fortuin een dromer is: 'Op school liet hij vaak zijn lichaam achter in de bank terwijl zijn geest op reis ging.' Op enigszins hoogdravende toon legt de schrijver uit dat de komende hoofdstukken fantasieën van Peter zijn. Net als Jonathan uit het luchthartiger De tranen knallen uit mijn kop van Guus Kuijer lijkt Peter een verhalenboompje in zijn hoofd te hebben waar de verzinsels als rijpe appels vanaf vallen. Kuijers Jonathan kan gewoon niet anders dan met zijn hoofd in de wolken lopen, maar McEwan legt Peter een akelig nobel klinkende verklaring in de mond voor zijn behoefte zich af te zonderen van andere mensen: 'Als ze niet voortdurend bezig waren om mee te doen en anderen te dwingen mee te doen, en in plaats daarvan elke dag een tijdje alleen waren en erover nadachten wie ze waren of zouden kunnen zijn, dan zou het leven op aarde heel wat prettiger zijn en dan zou er misschien nooit oorlog zijn, dacht hij.' Ook vertaalster Heleen ten Holt laat hier, zoals helaas wel vaker, een steekje vallen.

Elk hoofdstuk van De dagdromer is een afgerond verhaal, broeierig en beklemmend van sfeer net als McEwans werk voor volwassenen. Het is daarbij jammer dat de vraag of hetgeen Peter overkomt 'echt' is of dat hij het maar verzint al beantwoord is, want dat doet af aan de spanning. Gelukkig worden de verhalen, die perfect aansluiten op het gekozen motto uit de Metamorfosen van Ovidius ('Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden veranderd') ondanks de inleiding wel als 'waar gebeurd' gepresenteerd en zijn ze toch nog heel verrassend.

Peter heeft af en toe voor onbestemde tijd een andere gedaante. Zo wordt hij op een dag wakker als volwassene, met lange stramme ledematen, baardgroei en een schreeuwende zin in koffie. Deze metamorfosen volgen steeds uit iets wat hij zich afvraagt. Hoe is het bijvoorbeeld om een kat te zijn? Hij bewerkstelligt deze wat macabere metamorfose zelf: 'Het stukje bot paste net tussen zijn duim en wijsvinger. Hij pakte het stevig vast en trok eraan. Willem de kat begon nog harder te spinnen. Peter trok nog een keer, nu naar beneden, en deze keer voelde hij dat er iets meegaf. Toen hij tussen de vacht keek die hij met zijn vinger opzij duwde, zag hij dat hij een spleetje in het vel had geopend.' Als hijzelf ook als een slaapzak blijkt te kunnen worden opengeritst, wordt de jongen kat en de kat jongen. En dan wordt meesterlijk beschreven hoe het is om languit op de kachel te liggen snorren, te vechten op de schutting en te lopen op zachte sluipvoetjes.

Met een al even verbazend gemak beschrijft Mc Ewan de wereld door de ogen van een baby. Peter verafschuwt zijn babyneefje, die 'als een tank door het huis dendert'. Maar opeens is het, door toedoen van Peters zusje dit keer, Peter zelf wiens gretige knuistjes en kwijlende kaken alles willen beetpakken en onderzoeken. McEwan vertelt nauwgezet wat Peter als baby zoal overkomt: eten, rondgedragen worden en baden. Peter wil zijn tante duidelijk maken dat hij haar zoontje niet is, maar zijn aandacht wordt steeds door iets anders getrokken. Hij vindt er ook geen woorden voor, maar slechts onmachtige klanken. Het verhaal is daarbij ook nog eens grappig: 'Tante Laura zong een melodieus en interessant lied over een schaap dat buiten liep, witte voetjes had en melk dronk.'

Deze originele verhalen, waarin de verwisseling van Peter en de ander zo vernuftig worden doorgevoerd, compenseren het zwakke begin van het boek. De dagdromer draagt de belofte in zich dat Ian McEwan ook als kinderboekenschrijver groot kan worden, mits hij nog iets meer aan de verbeelding durft over te laten.