Een glanzende kom van blauw email

De Amerikaanse schrijver Paul Bowles vestigde zich in het Marokkaanse Tanger en begon zich daar tot zijn verbazing thuis te voelen. “Door de afschuwelijke leegte waarmee je in woestijnlanden wordt omringd, raak je zo sterk op je zelf, je innerlijke waarden en levensidealen aangewezen, dat ze juist daardoor dreigen te bezwijken.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Paul Bowles: Een man moet niet te veel moslim zijn. Vert. Gideon den Tex. Uitg. Veen, 208 blz. Bij De Slegte verkrijgbaar voor ƒ2,95.

Een van de merkwaardigste mensen op aarde is Paul Bowles. Hij is componist, schrijver en Amerikaan, en hij wordt gerekend tot de lost generation van Hemingway en F.Scott Fitzgerald. Maar terwijl zij hun ontworteldheid vanuit Parijs cultiveerden tot een luidruchtige levensstijl, vertrok Paul Bowles in alle stilte naar Tanger, Marokko, waar hij zich, waarschijnlijk tot zijn eigen verwondering, begon thuis te voelen.

Hoe dat kon gebeuren is onbegrijpelijk. Paul Bowles dweept niet met de islam, hij gruwt zelfs van de middeleeuwse strengheid en hij bespot regelmatig de machteloosheid die moslims ervaren tegenover de mektoub ('zo staat het geschreven'). Ook verloochent hij zijn eigen westerse afkomst niet. Akkoord, hij kan westerlingen die in de Sahara ronddolen omdat ze op zoek zijn naar avontuur en ontbering op schitterende wijze belachelijk maken, maar hij neemt de Westerse rationaliteit en het vooruitgangsgeloof serieus - zij het ook weer niet zo serieus als de eerste Noordafrikaanse politici die direct na de onafhankelijkheid hun landen wilden omvormen tot het evenbeeld van de koloniale moederlanden.

Gaat het dan om het landschap? Paul Bowles kan het meesterlijk beschrijven, zeker, en hij zei eens van zijn verhalen dat de karakters verzonnen zijn, maar het decor echt is. Toch is niets zo saai als de woestijn en alleen de hemel daarboven, 'die glanzende kom van blauw email', zoals Bowles haar omschrijft, schijnt overweldigend te zijn. Volgens Bowles wordt de toon in dit droge landschap uiteindelijk door de hemel aangegeven, wat blijkbaar zeer bevorderlijk is voor overpeinzingen over het wezen van het oneindige: “Wanneer je dat hebt begrepen, niet op een intellectuele, maar op een gevoelsmatige manier, heb je ook begrepen waarom jodendom, christendom en islam, die de zetel van de hoogste macht hebben verplaatst van de aarde zelf naar de onbegrensde ruimte daarbuiten, in woestijngebieden tot ontwikkeling zijn gekomen.”

Dat is misschien wat Paul Bowles zo fascinerend vindt aan Noord-Afrika: door de afschuwelijke leegte waarmee je in woestijnlanden wordt omringd, raak je zo sterk op je zelf, je innerlijke waarden en levensidealen aangewezen, dat ze juist daardoor dreigen te bezwijken, zoals inderdaad gebeurt met de personages van zijn beroemdste boek The Sheltering Sky.

Na dit romandebuut is Paul Bowles systematischer op zoek gegaan naar de wereld zoals de moslim zich die voorstelt, en deze boeken zijn nu bij De Slegte verramsjt, waaronder Het Huis van de Spin en het prachtige reisboek Een man moet niet te veel moslim zijn. In dit laatste werk verkent hij de randen van het islamitische rijk, de twistgebieden, zogezegd; in Ceylon, nu Sri Lanka, waar het boeddhisme met zijn zachtaardig agnosticisme en zijn overdadige droefheid zo op zijn plaats is, dat het er ontsproten had kunnen zijn. In zuidelijk India, waar het bizarre en chaotische hindoeïsme de puriteinse en autoritaire islamitische geloofsleer lijkt te tarten. De moslim walgt van de eindeloze woekering van hindoeïstische godsbeelden, demonen en metamorfosen, terwijl de hindoe op zijn beurt de troosteloze striktheid en de ondubbelzinnige letterlijkheid van de islam betreurt.

En in het Turkije van Atatürk ten slotte wordt de islam geconfronteerd met de Westerse secularisatie: 'De Turken zijn de enige moslims die ik gezien heb, die dat vreemde idee van zich af hebben gezet dat er een onoverkomelijk verschil bestaat tussen henzelf en niet-moslims. Voor mijn gevoel zijn zij er in geslaagd de kloof die door hun godsdienst is geschapen, die peilloze afgrond die de islam isoleert van de rest van de wereld, te overbruggen. Daardoor voelt de bezoeker een speciale sympathie voor hen, die niet van een kant komt, zoals die van de welwillende reiziger voor de wat eenvoudiger mensen uit een andere cultuur, maar die ook door henzelf gekoesterd wordt. Het is roerend om te zien hoe graag ze je willen begrijpen en het naar de zin maken; ze willen dat zo graag dat ze vergeten te luisteren en dus alles door elkaar halen. Maar hun goede wil verslapt zelden, en dat weegt ruimschoots op tegen al die keren dat je een ontbijt krijgt dat je niet hebt besteld of bij het vragen naar de weg de verkeerde kant wordt opgestuurd.'

Het is deze rustige, toegeeflijke en toch geestige toon die Paul Bowles' waarnemingen en overpeinzingen zo bijzonder maakt. Zoals het verhaal van de oude man die het topje van zijn middelvinger verliest tussen een deur die door iemand is dicht getrokken: hij kijkt er een ogenblik naar, zet de twee delen van de vinger weer aan elkaar en prevelt: 'Allah zij gedankt.' Zonder dat zijn gezichtsuitdrukking ook maar een moment is veranderd, pakt hij zijn boeltje en loopt weg. Dit, zegt Paul Bowles, is wat bewonderenswaardig is aan de Noordafrikaanse mens. In de islam bestaat tussen leerstelling en natuurlijk gedrag een minimum aan tegenstrijdigheid. De wereld zoals die gezien en gevoeld wordt is maar vluchtig en onbelangrijk, en de geest hoort sterker te zijn dan het vlees. Dus ondergaat de man onbewogen de pijn en ziet hij af van elke wrok.