Duitse herdenking van capitulatie wankelt tussen feest en rouw

Aan de vooravond van de herdenking van 8 mei 1945 is in Duitsland een hevig debat gaande over wat er precies wordt herdacht: de bevrijding van het Hitler-regime of de nederlaag tegen de geallieerde Siegermächte. Volgens J.M. Bik is er voor bondskanselier Kohl geen keus: Schipperend tussen deze interpretaties van het verleden moet hij Duitsland verder in Europa integreren.

Tegenover de stad Koblenz en de plaats waar de Moezel in de Rijn stroomt en het enorme ruiterstandbeeld van keizer Wilhelm I (1871-'88) dat nu alweer twee jaar op zijn hoge sokkel am Deutschen Eck terug is, staat op zo'n 120 meter hoogte de twintig eeuwen oude vesting Ehrenbreitstein. In de negentien eeuwen voor de tank en het vliegtuig kwamen was die vesting op de rechter Rijnoever militair gesproken 'je van het', nu nog slechts een herinnering aan veel van vroeger.

Hoewel de eerste bevelhebber hier de latere Romeinse keizer Tiberius (14-37 na Chr.) was, hoewel het leger van Napoleon de vesting in de vroege negentiende eeuw al eens met de grond gelijk gemaakt heeft en hoewel Metternich en Valéry Giscard in de oude garnizoensstad Koblenz geboren zijn, is er in Duitsland nauwelijks een Duitsere plek te vinden. De brede snelstromende Rijn, de keizer op zijn paard, de wijngaarden op de berghellingen, de rijnaken diep beneden, de geschiedenis van deze voortdurend betwiste streek (met de Loreley even naar het zuiden), de voorname rol die das Militär hier voortdurend speelde - het heeft allemaal iets van Duits in het kwadraat.

Romantisch en fascinerend dus, maar ook een kwadratuur om met voorzichtig respect naar te kijken als je uit een behaaglijk, onschuldig en plat klein land komt dat zijn behaaglijkheid en zijn onschuld mede aan zijn omvang te danken heeft. Want, terzijde: tachtig miljoen Nederlanders, daaraan moet een mens toch ook niet denken.

Tussen 1817 en 1832 herbouwde Pruisen, dat op het Weens Congres (1814/'15) via de Rheinbund tot baas in het Rijnland en buffer tegen Frankrijk bevorderd was, de vesting met 4.500 man en 24 miljoen 'goudguldens' op een grotere maat, die tijdelijk zelfs een Europese recordmaat was. Nu herbergt de vesting een aantal musea, een restaurant met een schitterend uitzicht en een passabele Strammer Max (uitsmijter), een jeugdherberg en - sinds 1972 - een eremonument van het Duitse leger. Om dat eremonument op deze oerduitse plek gaat het hier. Want daarop is een tekst te lezen waarin de Eerste en Tweede Wereldoorlog naar hun aard als het ware zó worden 'gelijkgeschakeld' dat de buitenlander ervan opkijkt. Dat de Eerste Wereldoorlog een gruwelijke maar toch 'gewone' oorlog was en dat de Tweede er een was van georganiseerde criminaliteit en geplande, ja: geïndustrialiseerde: massamoord, - dat principiële verschil ontbreekt. Dat de Wehrmacht-top, na aanvankelijke aarzelingen, in de jaren dertig snel met die vulgaire Hitler akkordeerde en dat het Duitse leger op grote schaal, vooral in Oost-Europa, deelnam aan gruwelijke nazi-misdaden, stond eigenlijk allang vast voor elke buitenlander die weet dat een grote slager zijn werk doorgaans niet door principiële vegetariërs laat doen.

Dat daaraan pas vandaag, bijvoorbeeld op een reizende tentoonstelling die nu in Hamburg te zien is en waarover Duitse kranten en weekbladen met een zekere (late) geschoktheid berichten, ruime bekendheid wordt gegeven, zegt meer over een fantastisch 50-jarig Duits verdringingsmechanisme dan over de historische werkelijkheid. De nuttige, maar uitgestelde 'frappe' van die grote expositie lijkt in 1995 vooral voor Duits gebruik. Dat bijvoorbeeld Die Zeit, het dikke weekblad van de Duitse intelligentsia, nu zo vroom-geschokt schrijft over de kwalijke rol die de Wehrmacht van de (over)grootvaders destijds in of vlak achter de voorste linies speelde, zegt ook wel wat over dat staatstragende weekblad zelf. Want die expositie, die een kras haalt door het sprookje van de fatsoenlijke Wehrmacht, biedt toch niet echt iets nieuws? Zo komt Jan Splinter door de winter, zou Marcel van Dam vijftien jaar geleden hebben gezegd.

Terug naar die tekst in de vesting Ehrenbreitstein, die qua strekking trouwens overal, op de kleinste monumenten in de kleinste Duitse stadjes en dorpjes, te vinden is. Zij luidt: “Dit gedenkteken werd opgericht ter herinnering aan de gesneuvelden in de beide grote oorlogen 1914-1918 en 1939-1945 door kameraden, nabestaanden en soldaten van de Bundeswehr. Alleen uit het leger gaven in de Eerste Wereldoorlog 2 miljoen en in de Tweede 3,5 miljoen soldaten hun leven voor Duitsland. Hun offers, hun moed en hun leed mogen niet worden vergeten.” Die klaarblijkelijk representatieve tekst op zulke eremonumenten is extra interessant nu Duitsland en de Duitsers binnenkort 8 mei 1945 gaan herdenken. Daarbij worstelen ze al weken met de vraag of die dag allereerst de bevrijding van het Hitler-regime was dan wel een nederlaag die verdrijving van miljoenen landgenoten uit vroegere Duitse gebieden in het huidige Polen, Tsjechië en Rusland alsook de ellende van langdurige krijgsgevangenschap meebracht. Want er is over dat Grote Vraagstuk - allereerst vreugde over de bevrijding van Hitler of zeker zoveel Trauer over wat verdrevenen, krijgsgevangenen en onder Sovjet-dictatuur rakende volken erna beleefden? - een hevig debat gaande.

Het is een debat dat al jaren 'onderhuids' gevoerd werd en dat, natuurlijk, luider is geworden na de Duitse eenwording in oktober 1990 en dat 7 april jongstleden op scherp kwam te staan door een advertentie van een grote groep rechts-nationalen en ook wel rechtsradicalen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung onder de kop: '8 mei 1945 - Tegen het vergeten'. De advertentie was onder meer ondertekend door minister Carl-Dieter Spranger (CSU, ontwikkelingssamenwerking) en Alfred Dregger, erevoorzitter van de CDU/CSU-fractie in de Bondsdag, en een groepje andere conservatieve regionale en nationale parlementariërs en leden van de CDU/CSU en de FDP. Als ook door een flink aantal Republikaner en andere rechtsradicalen. De vroegere SPD-minister Hans Apel trok zijn handtekening later terug onder druk van zijn partij.

De advertentie herinnert aan wat Theodor Heuss (FDP), de eerste naoorlogse Westduitse president, ooit over 8 mei 1945 zei. Namelijk dat die dag in zoverre paradoxaal was dat hij “ons tegelijkertijd verloste én vernietigde”. De tekst voorts: “Eenzijdig wordt 8 mei door media en politici gekarakteriseerd als 'bevrijding'. Daarbij dreigt vergeten te worden dat die dag niet alleen het einde betekende van het nationaal-socialistische schrikbewind, maar tegelijkertijd ook het begin was van een verdrijvingsterreur en nieuwe onderdrukking in het Oosten en het begin van de deling van ons land. Een geschiedsbeeld dat die waarheden verzwijgt, verdringt of relativeert, kan geen basis voor het zelfbegrip zijn van een zelfbewuste natie (curs. jmb), die wij Duitsers in de Europese volkerenfamilie moeten worden om vergelijkbare rampen voor de toekomst uit te sluiten.” Die advertentie was in feite ook een posterieure aanval op de bekende rede die de toenmalige (Westduitse) bondspresident Richard von Weizsäcker (CDU) tien jaar geleden hield. De rede dus waarin hij 8 mei een “bevrijdingsdag” noemde voor een volk dat in overgrote meerderheid achter Adolf Hitler had gestaan en wel degelijk weet had, of kon hebben, van de moorddadigheid van de nazi's. Op die rede volgde destijds al conservatief knarsetanden, juist in kringen waar men altijd graag onderscheid had gemaakt tussen de nazi's en 'fatsoenlijke Duitsers' (de soldaten van de Wehrmacht bijvoorbeeld).

Maar nu heeft die advertentie, bijna vijf jaar na de Duitse eenwording, een zo heftig debat uitgelokt dat kanselier Helmut Kohl (CDU-voorzitter), minister van buitenlandse zaken Klaus Kinkel (FDP-voorzitter), SPD-voorzitter Rudolf Scharping en ook Bondsdag-presidente Rita Süssmuth het al “deprimerend” en “onwaardig” hebben genoemd. Waarbij mevrouw Süssmuth de eer toekomt dat zij erop wees dat Duitsland de Tweede Wereldoorlog begon, dat deze oorzaak en de misdaden van het Derde Rijk sinds Hitlers machtsovername in 1933 niet mogen worden verward, laat staan 'verrekend', met wat er na 8 mei 1945 is gebeurd.

Kohl en Kinkel weten, ook uit recente enquêtes, dat een meerderheid van de Duitsers, vooral de oudere generaties, 8 mei 1945 allereerst zag en ziet als een nederlaag tegen de geallieerde Siegermächte, met als prettig gevolg dat de Hitler-dictatuur voorbij was. Russen, Amerikanen en Britten zagen dat destijds net zo, zij voelden zich in Duitsland eerder winnaars dan bevrijders.

Kohl en Kinkel zijn voorzichtig. Zij noemen 8 mei een bevrijdingsdag, maar tekenen erbij aan dat er veel leed van “onschuldigen” (vluchtende vrouwen en kinderen bijvoorbeeld) op is gevolgd en dat men niemand kan voorschrijven hoe die dag 50 jaar later moet worden beleefd. Dat er in Duitsland zo'n 12 miljoen kiesgerechtigden zijn onder vroegere verdrevenen of hun nabestaanden, zal niet vreemd zijn aan hun voorzichtigheid. En dat de voorzitter van de Bondsdag en de vroegere bondspresident, die in hun functies niet van kiezers afhankelijk zijn, als het ware makkelijker een 'morele' dan een electoraal verdedigbare lijn kiezen in zo'n vraagstuk, mag in de marge best worden genoteerd. Zoals ook mag worden genoteerd dat een openbaar debat over deze kwestie in de ruimte tussen Weizsäcker en Dregger en Die Zeit en de FAZ op zichzelf niet slecht is.

“Je kunt moeilijk een glas drinken op je eigen nederlaag”, zei Hans Kroll, Duits ambassadeur in Moskou, op 8 mei 1965. Het was geen nederlaag maar een bevrijding, zei Richard von Weizsäcker tien jaar later als president van het welvarende westelijk deel van het verdeelde Duitsland. Sindsdien zegt ieder die 'deugt' hem dat met recht na. Maar er is een probleem, dat Kohl kent als geen ander: een heel grote groep Duitsers denkt over het woord 'bevrijding' ongeveer zó als oudere Nederlanders denken over de vraag of het Indonesië van Soekarno 45 jaar geleden bevrijd raakte. Wat meebrengt dat Kohl dadelijk in Londen, Parijs en Moskou met de vroegere Siegermächte ingetogen een bevrijdingsfeest moet zien te vieren namens een ambivalent Duits electoraat, dat een geïmporteerd democratisch model dankzij Koude Oorlog en economisch succes zag slagen en nu graag met de overwinnaars van toen vooruit wil kijken. Het debat over de vraag of 8 mei 1945 een dag van bevrijding of (tenminste ook) de dag van een nederlaag was eindigt zometeen vermoedelijk. Namelijk door versterf van de generatie-Dregger en doordat de Bondsrepubliek er als verenigde Europees-Duitse grootmacht geen belang bij heeft om, hoe ook, op 1945 gefixeerd te blijven. Tenzij er economische rampen gebeuren of de anti-Europese stemming zó krachtig wordt dat 'Nieuw Rechts' alsnog echt wat kan beginnen met de nationale taboewaarde van zulke kwesties.

Voor Kohl geldt over twee weken: zoveel mogelijk plechtige herdenkingen met het oog op morgen met zo min mogelijk kleerscheuren, internationaal en op de kiezersmarkt, zien door te komen en daarna verder op de weg naar de Duitse integratie in Europa. Dat kan Kohl niet doen door, zoals Adenauer ooit, te zeggen: wij deugden toen niet en vandaag is het met ons nog vrij middelmatig, dus houd ons vast en houd ons klein. Juist de kanselier die het verenigde en economisch machtige Duitsland onherroepelijk in Europa wil 'opbergen' is aan die toekomst verplicht met de bevrijders/ overwinnaars van toen aan tafel te gaan zitten. Als het ware namens de kleinkinderen van die soldaten die in de vesting Ehrenbreitstein zo misleidend worden geprezen voor hun offers langs de voor heel Europa gevaarlijke Duitse Sonderweg, waarvan hun vaderland door een nederlaag moest worden bevrijd.