De zegeningen van de lijfeigenschap; De verloedering van Rusland volgens Ivan BoeninI.A.

Boenin: Verzamelde werken deel I. Verhalen 1892-1913. Vert. Margriet Berg en Marja Wiebes. Uitg. Van Oorschot, 605 blz. Prijs f 95,-.

Geen enkele Russische schrijver geeft in zijn werk zoveel natuurbeschrijvingen als Ivan Boenin. Boenin (1870-1953) schreef in de eerste 25 jaar van zijn lange carrière nauwelijks een verhaal dat zich niet afspeelt op het Russische platteland. Het eerste deel van de vierdelige Verzamelde Werken, dat onlangs verscheen in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot, beslaat juist die eerste fase van Boenins ontwikkeling. De weinige verhalen die chronologisch wel tot die eerste fase behoren maar thematisch niet, zijn door de vertalers niet in dit deel opgenomen. Daardoor rijst bij de lezer onvermijdelijk de vraag: vanwaar deze bijna monomane belangstelling voor het leven van de Russische boer?

Boenin werd geboren uit een oud geslacht van landeigenaren. In 1861 was in Rusland de lijfeigenschap afgeschaft en in Boenins jeugd was het verval van de landadel in volle gang. Boenin zag de sociale veranderingen met lede ogen aan: niet alleen was hij een geboren aristocraat, hij was ook verknocht aan de natuur van het ouderlijk landgoed. In zijn Autobiografische schets van 1915 zegt hij daarover: 'Hier, in de diepe stilte van de velden (-) speelde zich mijn hele kindertijd af, die vervuld was van een unieke en treurige poëzie.'

Uit Boenins allervroegste verhalen, zoals 'Berichten van thuis' en 'In den vreemde', spreekt bekommernis om de sociale achterstand van de boeren, maar door hun eenzijdige visie en naar het sentimentele neigende toon behoren zij tot Boenins zwakste werk.

Maatschappelijke problemen hebben uiteindelijk ook niet Boenins diepste belangstelling. Hij concentreert zich al gauw op de uitbeelding van de mens niet als maatschappelijk maar als natuurlijk wezen. Dat hij vooral boeren onder de loep neemt, is hierbij minder een beperking dan het lijkt. Er bestond in het begin van deze eeuw nauwelijks afstand tussen boeren en heren. De heer leek op zijn boer; hij was net zo geïsoleerd, net zo afhankelijk van de grond, en soms net zo weinig ontwikkeld. Beider bloed was door de talrijke buitenechtelijke verhoudingen door en door vermengd, en hun mentaliteit was dezelfde. 'De heren,' zegt de verteller ergens, 'hadden hetzelfde karakter als hun lijfeigenen: óf heersen óf vrezen.'

Daarbij was de boer voor Boenin geen sociaal type, maar stond hij gelijk aan dé Rus. In het verhaal 'Het dorp' zegt Balasjkin, een van de weinige filosoferende personages van Boenin, tegen zijn discipel: 'Heel Rusland is een dorp, knoop dat maar in je oren!'Het uitgestrekte Russische platteland is in de meeste verhalen het decor van een chaos. In 'Het dorp', het langste verhaal uit dit Boenin-deel, zijn alcoholisme, moord en verkrachting aan de orde van de dag. Net als 'De vrolijke hoeve' en 'Een nachtelijk gesprek' is 'Het dorp' een intens somber verhaal, waarin de boeren nog maar weinig menselijks hebben. Maar de nadruk op de ellende is bij Boenin niet gemotiveerd door medeleven. Hij wil laten zien wat er gebeurt als de band tussen mens en natuur verstoord raakt. Vaak wordt aangenomen dat Boenin de emancipatie van de boeren als de oorsprong van alle kwaad zag. Voor een deel is dat waar. Boenin was van mening dat de lijfeigenschap de harmonie van mens en natuur bevorderde. Uit de psyschologische ontreddering die volgde op de afschaffing ervan komen alle uitbarstingen van geweld en wreedheid voort die hij in zijn werk zo uitvoerig beschrijft. Toch schreef Boenin niet alle ellende toe aan de afschaffing van de lijfeigenschap. Want in 'Soechodol', dat zich ten tijde van de lijfeigenschap afspeelt, is de verloedering nauwelijks minder dan in 'Het dorp'. De eigenaren van het zieltogende landgoed Soechodol zijn even onpraktisch en labiel, en soms even wreed en gewelddadig als de boeren in 'Het dorp' of 'Een nachtelijk gesprek'. De emancipatie van de boeren lijkt dus voor Boenin slechts de versnelling te zijn van een al in gang gezet proces. Waar de wortels van dit proces precies liggen maakt hij niet duidelijk, net zomin als hoe het Rusland van zijn dromen eruitzag. Boenins idee dat de mens tot de natuur behoort heeft verschillende implicaties, die voor zijn vroege werk naar mijn mening niet altijd gunstig uitvallen. Zijn personages leven niet alleen in en van de natuur, ze worden ook door de natuur geleefd. Maar aangezien instincten en natuurkrachten nu eenmaal geen onderscheid des persoons kennen, lijken Boenins personages vaak op elkaar. Zeker in de langere verhalen, waar ze ook nog met velen zijn, zijn ze als individu wat flets. Ze hebben geen spirituele aspiraties of innerlijke conflicten. Voor zijn latere werk geldt dit bezwaar niet meer. In de emigratie - na de revolutie vertrok Boenin naar Frankrijk - schetst hij de mens in de meest verschillende gedaantes tegen de meest verschillende achtergronden. De personages worden niet meer gedreven door grove natuurlijkheid maar door subtiele sensualiteit.

Voor zijn taalgebruik leidde Boenins hang naar natuurlijke harmonie van het begin af aan tot grote schoonheid. Allergisch voor al wat 'tegennatuurlijk' was, hield Boenin zich ver van de literaire experimenten van zijn tijdgenoten. Met zijn gedragen, suggestieve, beeldende Russisch - door de vertaalsters overgezet in een even mooi Nederlands - staat hij inderdaad in 'de traditie van de grote Russische romankunst', zoals het geformuleerd werd toen hij in 1933 de Nobelprijs ontving. Dit eerste deel van de Nederlandse Boenin-vertaling getuigt er weer eens van hoe indrukwekkend die traditie is. En dat, terwijl het allermooiste nog moet komen.