Chinese Limburger Sung lacht om zijn lot

Sung Chen speelt vanaf volgende week met het Nederlands tafeltennisteam om de wereldtitel in Tianjin. Voor het eerst sinds zijn vertrek in 1989 keert hij terug naar zijn vaderland, het land ook waar pingpong nog steeds de populairste sport is.

PAPENDAL, 28 APRIL. Hij is veel langer dan de gemiddelde Chinees, verder beantwoordt de 30-jarige Sung Chen aan de clichématige verwachtingen. Hij pingpongt met de in China gebruikelijke penhoudersgreep. Heel rustig staat hij achter de tafel, alsof de uitslag er eigenlijk niet zo veel toe doet. Na afloop van de training vertelt hij over zijn Chinese achtergrond en zijn populariteit in Limburg. Zijn lach is zijn handelsmerk.

Sung is nogal lastig te verstaan. Hij praat met horten en stoten. De Nederlandse lessen zijn niet erg aan hem besteed. “Ik heb geen zin in huiswerk. Daarom loop ik veel, want alleen slapen en eten is ook niks. Soms loop ik tien kilometer op een dag. Daarom voel ik me nog zo goed. De mensen denken dat ik 30 ben, maar ik voel me nog 20. Op deze manier kan ik nog wel een paar jaar doorgaan.”

Volgend seizoen hoopt Sung voor de Belgische ereklasser Diest uit te komen. Bij deze topclub kan hij veel meer verdienen en krijgt hij veel meer tegenstand dan de afgelopen jaren het geval was. In de Nederlandse competitie won hij 95 procent van zijn enkelpartijen. In de afgelopen vijf seizoenen was hij de grote kracht achter het succes van Noordlimburgse provincieclub Bartok. En hij vormt dit seizoen met zijn oude landgenoot Wang een koddig dubbel.

In het gehucht Buchten was het bijna elke week feest. De bar en de tribune van de plaatselijke gymnastiekzaal vormen één geheel. Soms werd het bier uit balorigheid over de pingpongtafel gegoten. En het publiek scandeerde in koor: Soeki, Soeki. Het is de bijnaam van de Chinees die in zijn woonplaats niet ongestoord over straat kan lopen. Sung is mateloos populair in Born en omstreken.

Zijn Nederlandse tafeltennisvrienden hebben zich met succes ingespannen om Sung Chen aan een Nederlands paspoort te helpen. Na een wachttijd van bijna vijf jaar kreeg hij oktober vorig jaar het felbegeerde document. Sung is nu speelgerechtigd voor de nationale ploeg van bondscoach Peter Engel, die dankbaar gebruik maakt van de mogelijkheid een vierde mannelijke speler aan zijn selectie toe te voegen. De twee vaste krachten Trinko Keen en Danny Heister zijn zeker van hun plaats, Sung mag met Gerard Bakker jr. uitmaken wie het duo completeert.

Engel wil vooralsnog geen keuze maken tussen Bakker en Sung. De bondscoach erkent dat Sung een paar voordelen heeft ten opzichte van zijn veel jongere collega. Hij is tactisch gevarieerder dan de Nederlandse jongens. Bovendien is hij gewend aan de vochtigheid in de speelzaal. “Alle andere jongens worden nerveus in zo'n warme Chinese zaal. Je speelt twintig minuten en je bent nergens meer droog”, vertelde Engel voor zijn vertrek naar Tianjin.

De advocatenzoon Sung verheugt zich over zijn terugkeer naar China, maar het WK is belangrijker dan de familiehereniging. Hij wil zich revancheren tegenover de mensen die hem in het verleden hebben gepasseerd voor het Chinese team. Sung was in 1984 de nummer vijf van zijn land, maar een plaats in de nationale ploeg werd hem niet gegund. Zijn privé-trainer had ruzie met de bondscoach, vandaar. Het grote talent zette zijn pingpongloopbaan vervolgens op een laag pitje en ging naar de universiteit.

Na een studiereis door Europa besloot hij in 1989 zijn geboorteland definitief de rug toe te keren. Eerst kreeg hij een aanbieding van Avanti, de club waar de oude Gerard Bakker onder meer Bettine Vriesekoop onder zijn hoede had. Toen de club uit Hazerswoude na een half jaar zonder sponsor zat, kreeg Sung een aanbieding van Bartok. Weer een heel andere wereld. “Ik vind het lekker rustig in Limburg. Er zijn meer koeien dan mensen. Meer bloemen dan tafeltennissers.”

Sung is van origine een stadsmens en opgegroeid in de buurt van het eiland Taiwan. Als zoon van een fanatieke tafeltennisser kreeg hij de Chinese volkssport met de paplepel ingegoten. “Toen ik veertien was, ben ik naar een tafeltennisschool gegaan. Alleen de beste vijf uit elke provincie mochten naar deze school, dus dat was een grote eer. Daar stonden we om zes uur op en gingen we pas om tien uur naar bed. We trainden toen vijf uur per dag. Tegenwoordig train ik veel minder, maar ben ik tactisch beter.”

Om de vrije tijd te doden maakt Sung zich bij Bartok verdienstelijk als jeugdtrainer. Hij verbaast zich over de laconieke houding van de tafeltennistalenten. “In Nederland blijven veel kinderen weg van de training. Dan bellen de ouders op dat ze geen tijd hebben, huiswerk moeten maken. Ik vind dat stom, maar kan er niks aan veranderen. Dat is hier de mentaliteit. School is belangrijker dan sport. En dan vinden ze het gek dat ze met deze mentaliteit geen wereldkampioen kunnen worden.”

“In China zeggen ze: als je geen zin hebt moet je toch komen. Voor de regering is het nog steeds heel belangrijk dat de tafeltennissers goed presteren. Andere sporten worden belangrijker, zoals voetbal en zwemmen. Maar tafeltennis is nog steeds heel populair. Ik denk dat de zaal volgende week elke dag uitverkocht is. De mensen willen zien dat de Chinezen beter zijn dan de Zweden.”

“Door de vrije economie zijn veel spelers heel rijk geworden. Vroeger ging al het geld naar Mao. Nu mogen de spelers het zelf houden en kunnen ze er een huis van kopen. De kampioenen van de laatste jaren zijn bijna allemaal gestopt. Ze hadden genoeg verdiend. De olympische kampioen in het dubbelspel verdiende in 1988 echt goud, goud zoals van een ketting. Ik verdiende vroeger ook wel een beetje, maar ik kon er geen huis van kopen.”

Hij lacht om zijn eigen lot, de Chinese Limburger die volgend seizoen in België gaat spelen. Sung weet zeker dat hij terugkeert naar Europa. Na het WK verblijft hij drie weken bij familie en gaat hij op vakantie naar Hongkong, de goudkust van zijn dromen. Maar eerst wil hij zich revancheren voor zijn verspilde talent. Achter de vertrouwde glimlach schuilt nog een heel klein beetje rancune.