Borst: gemeente moet houseparty's niet verbieden

ROTTERDAM, 28 APRIL. Gemeenten moeten houseparty's en andere grootschalige dansfeesten niet verbieden, tenzij er sprake is van een onaanvaardbaar risico. Dit schrijft minister Borst (volksgezondheid) in een begeleidende brief bij de nota 'Stadhuis en House'. De nota, die is opgesteld door een werkgroep onder voorzitterschap van het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport, werd gisteren in Rotterdam gepresenteerd in het Rotterdamse World Trade Center-gebouw tijdens een aan dit onderwerp gewijd mini-symposium.

“Elk evenement waarbij grote groepen mensen bij elkaar zijn brengt risico's met zich mee op het terrein van openbare orde, veiligheid en volksgezondheid”, aldus de nota. Deze risico's kunnen worden vergroot door drank- en drugsgebruik. Volgens de minister is echter “de bestaande regelgeving rond grootschalige evenementen” voldoende om deze risico's te beperken. Minister Borst vreest dat een verbod op houseparty's het ontstaan van een illegaal circuit in de hand zal werken.

Houseparty's maken deel uit van de jeugdcultuur en het gebruik van illegale uitgaansdrugs, zoals xtc, is onlosmakelijk verbonden met deze jeugdcultuur, aldus de nota. XTC blijkt onder jongeren, na cannabis, het populairste illegale genotmiddel te zijn geworden. Onderzoek van het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD) wijst uit dat ruim drie procent van de scholieren van twaalf jaar en ouder weleens deze uitgaansdrug heeft gebruikt. Dat zijn zo'n dertigduizend leerlingen.

De nota draagt de ondertitel: 'Handreikingen voor gemeentelijk beleid inzake grootschalige manifestaties en uitgaansdrugs'. Daarmee was de trend van de discussie op het symposium gezet: hoe moeten gemeenten omgaan met grootschalige manifestaties waarbij massaal een middel wordt gebruikt dat op lijst 1 van de Opiumwet staat?

XTC staat - samen met heroïne en cocaïne - weliswaar op lijst 1 van de Opiumwet, zo staat in de nota, maar wordt in de praktijk tegemoetgetreden als stond het op lijst 2 “teneinde criminalisering van gebruikers zoveel mogelijk te voorkomen”, aldus de nota.

Vanuit het welzijns- en jongerenwerk werd gesteld dat het plaatsen van MDMA (xtc) op lijst 1 van de Opiumwet in november 1988 heeft geleid tot allerlei problemen. Drugsdeskundige A. Adelaars wees op het gevaar dat ontstaat wanneer xtc wordt gedemoniseerd. “Er zijn artsen die zeggen dat de eerste pil je laatste kan zijn.” Volgens hem zorgen uitspraken als vorengaande dat de mensen wier gezondheid in het geding is, “de kids die gewend zijn om vijf tot tien pillen te slikken”, niets meer geloven van wat door medici wordt gezegd. Hij wees erop dat het minder de pillen zijn waaraan mensen doodgaan, dan de omgevingsfactoren. Juist deze factoren zouden door gemeentelijke regelgeving zijn te beheersen.

De beleidsmedewerkster openbare orde en veiligheid bij de gemeente Rotterdam C. Oostdam stelde dat Rotterdam, als eerste gemeente in Nederland, de grootschalige dansfeesten heeft geaccepteerd. “Niet in de zin van wat fijn dat ze er zijn, maar neutraal. Het verschijnsel is er en je moet het zorgvuldig, kritisch en vooral nuchter regelen.” Daarom eist Rotterdam van organisatoren van grootschalige dansfeesten onder meer EHBO-posten, medisch personeel, mogelijkheden om pillen te testen en een ruimte om tot rust te komen, de chill-out-room.

De enige houseparty-organisator die aanwezig was, Eva de Boer (21) van Cybertribe, reageerde instemmend op de neutrale en nuchtere Rotterdamse benadering. Zij vreesde echter dat andere gemeenten zich zouden blijven verschuilen achter hun vooroordelen jegens houseparty's. Haar vrees werd bevestigd door een gemeenteambtenaar uit Den Helder die het standpunt van zijn burgemeester verdedigde om housefeesten te verbieden.

De ambtenaar uit Den Helder schaarde zich achter het standpunt van de burgemeester die meende dat “Het houden van houseparty's altijd een risico met zich meebrengt voor de gezondheid van de deelnemers. Of de grootte van het risico wel of niet aanvaardbaar is, zal onder de huidige omstandigheden altijd een bestuurlijke keuze zijn.”