Bomhoff en Betuwelijn

Gelukkig blijft Bomhoff het Centraal Planbureau kritisch volgen, ook na het vertrek van Zalm als directeur. Ditmaal gaat het om de economische effecten van de Betuwelijn, en heeft Bomhoff zelfs een 'contra-expertise' gedaan in de vorm van een eigen studie naar de samenhang tussen infrastructuur en economische groei. Het is wel jammer dat die eigen studie niet ingaat op de economische effecten van de Betuwelijn, maar alleen een kwantitatieve relatie probeert te bepalen tussen economische groei en investeringen in infrastructuur in een aantal OESO-landen. Of die relatie ook mag worden toegepast op de Betuwelijn 'valt buiten het kader van dit rapport'.

Jammer is ook dat Bomhoffs aanval op de werkwijze van het CPB, zoals herhaald in NRC Handelsblad van afgelopen maandag, berust op een verkeerde voorstelling van zaken. Bij het onderzoek naar de economische effecten van de Betuwelijn speelde het macro-economische model een betrekkelijk ondergeschikte rol, juist omdat daarin aan veel van de effecten van zo'n project geen recht wordt gedaan. Die project-effecten zijn afzonderlijk ingeschat, grotendeels op basis van onderzoek wat door anderen is verricht naar de betekenis van de Betuwelijn. De belangrijkste projecteffecten zijn de strategische effecten op de haven van Rotterdam. En de conclusie is dat de Betuwelijn wel degelijk bijdraagt aan de economische groei, en - afhankelijk van de situatie op de arbeidsmarkt op langere termijn - mogelijk ook langdurig aan een hogere werkgelegenheid. Dat uiteindelijk (op een termijn van dertig of veertig jaar) volgens het CPB geen positief werkgelegenheidseffect meer verwacht mag worden is geen teken van wetenschappelijk isolement, maar sluit naadloos aan op moderne analyses van de structurele werkloosheid. Deze opvatting is dan ook niet in strijd met het door Bomhoff aangehaalde materiaal, dat geen betrekking heeft op werkgelegenheid maar op economische groei.

Dat infrastructuurprojecten volgens het CPB langdurig kunnen bijdragen aan meer werkgelegenheid blijkt ook uit de studies naar uitbreiding van Schiphol en de aanleg van de Hoge Snelheidslijn. Het CPB probeert de tekortkomingen van zijn modellen per geval zo goed mogelijk te ondervangen door gebruik te maken van projectstudies en ander aanvullend materiaal. Bovendien maakt het CPB risico-analyses, onder meer door projecten te beoordelen bij verschillende scenario's voor de economische ontwikkeling op langere termijn.

Het door Bomhoff aangehaalde overzichtsartikel in de 'Journal of Economic Literature' bevat een lange opsomming van bezwaren tegen de door hem gehanteerde methode. De auteur concludeert dat er veel te weinig aandacht wordt geschonken aan studies naar de rentabiliteit van projecten. Dat laatste is nu juist de invalshoek van het CPB.