Bij hoge uitzondering éénouderadoptie

AMSTERDAM, 28 APRIL. De vlag ging uit bij de Gaykrant toen het gerechtshof in Amsterdam een verzoek om éénouderadoptie van de schrijfter Hannemieke Stamperius had toegwezen. Volgens hoofdredacteur H.Krol maakt dit vonnis in één klap de moeizame registratie van “homohuwelijken” overbodig die, mede met het oog op de mogelijkheid van adoptie, bij de regering in bespreking is.

Bij zo'n reactie zullen de drie wijzen in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht wel even met de ogen knipperen. Dàt hebben ze helemaal niet gezegd. Zij hebben éénouderadoptie slechts in een bijzonder geval toegelaten. Een alleenstaande pleegmoeder, die al jarenlang voogd was van een buitenlands pleegkind, werd in staat gesteld haar hechte band nu via adoptie te formaliseren. Het is nog maar de vraag of dat ook opgaat voor “nieuwe” adopties, afgezien van de omstandigheid dan sommige landen van herkomst van adoptiekinderen in beginsel éénouderadoptie afwijzen.

Toch is het niet gering wat het gerechtshof heeft gedaan. Het staat namelijk vast dat de Nederlandse wetgever de éénouderadoptie niet heeft gewild. Bij de totstandkoming van de adoptiewet in 1956 is het wel aan de orde geweest, maar er werd ondubbelzinnig gekozen voor het “echtpaarvereiste”. De Nederlandse rechter heeft het daarmee altijd moeilijk gehad en, zoals de regering het heeft genoemd, “welwillend” naar ontsnappingsclausules gezocht. Dat geldt met name voor adoptieverzoeken van echtparen die gaan scheiden. Ook al is de breuk - en daarmee de opvoeding door een enkele ouder - in zicht, het wettelijk vereiste echtpaar wordt toch aanwezig geacht.

De wetgever heeft deze welwillendheid in zekere zin overgenomen door in de jaren zeventig twee vormen van éénouderadoptie te legaliseren: postume adoptie en stiefouderadoptie. Maar in beide gevallen werd formeel het echtpaarvereiste gehandhaafd. “Een gewrongen constructie”, gaf minister Korthals Altes van justitie in 1988 toe in een nota over “adoptie anders dan door echtpaar”. Maar deze omzichtigheid maakt wel duidelijk dat de keuze voor het echtpaarvereiste van de wetgever uit 1956 zijn gelding heeft behouden.

Het kabinet wilde slechts mondjesmaat - voor “bijzondere gevallen” - éénouderadoptie toestaan. Daarbij werd gedacht aan een wees die door een alleenstaande tante wordt opgevoed. Adoptie door een paar van gelijke kunne was geheel uit den boze. Een kamermeerderheid van VVD, PvdA en D66 vond dat eind 1988 veel te mager, maar door de toenmalige coalitieverhoudingen leidde dat tot niets.

Het paarse kabinet heeft al direct laten weten dat het wèl het hele vraagstuk van adoptie, leefvormen en afstammingsrecht zal aanpakken. Maar dat is te weinig voor een rechter om een voorschot op te nemen en de geldende wet alvast opzij te zetten. Het Amsterdamse gerechtshof beroept zich dan ook op een hogere rechtsbron, het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dit kent een ieder het recht toe op bescherming van het gezinsleven. Deze bepaling is tien jaar geleden door de Hoge Raad al eens ingeroepen om “co-ouderschap” na een echtscheiding mogelijk te maken, hoewel de Nederlandse wet daar nadrukkelijk niet in voorziet.

Juist in het geval van éénouderadoptie heeft de Hoge Raad in 1986 echter met zoveel woorden gezegd dat een beroep op het Europees verdrag de Nederlandse wet niet opzij kan zetten. De Hoge Raad staat boven een gerechtshof. De Amsterdamse uitspraak vormt dan ook niet zo'n vreselijk stevige paal om de vlag aan te hijsen.