Steden van glas en bloemen; De Koninklijke Serres van Laken

Twee weken per jaar mogen gewone stervelingen rondwandelen in de paleistuin van de Belgische koning. In de bourgondische bloemenweelde van de 'Koninklijke Serres' waant de bezoeker zich even in een sprookje.

De Koninklijke Serres zijn geopend tot 7 mei, di t/m zo van 9u30-16u en vr t/m zo ook van 21-23u. Toegang overdag gratis, 's avonds 100 frank. Ingang: hoek Koninklijke Parklaan en Van Praetlaan. Inl 00-3222171111.

In het hartje van Brussel, in de glooiende paleistuin van koning Albert, liggen de Koninklijke serres van Laken: gracieuze glasarchitectuur van turquoise geverfd gietijzer en ruitjes met een paarse, olie-achtige weerschijn. De ruim twintig serres zijn onderling verbonden door een gangenstelsel van 700 meter, en vormen zo een glazen stad.

Het is mogelijk om uren te dolen door het begroeide, glazen gangenstelsel, over gietijzeren verwarmingsroosters en minutieus aangeharkt geel zand. Er is een privé-appartement, waar koning Leopold II († 1909) zijn laatste dagen doorbracht en een neogotische glazen kapel met klokketoren, de ijzeren kerk genoemd (beide niet toegankelijk voor publiek).

Je vindt hier geen wetenschappelijke verzameling planten met duizenden variëteiten, maar een privé-siertuin met azalea's, hortensia's, geraniums, fuchsia: een bourgondische overdaad aan rose en rode bloemen, witmarmeren beelden en geglazuurde bloempotten op zuilen met uitbundige bloemstukken. Er is een diorama van een Japanse tuin, inclusief bonsaiboompjes en klaterend beekje, en er zijn kleine (sub)tropische uitstapjes met palmen, sinaasappelbomen, eucalyptussen en reuzenvarens met zacht bruin apehaar op de stammen. Apotheose van de rondleiding vormt de twintig meter hoge Wintertuin, waarvan het glazen dak rust op een zware, cirkelvormige colonnade.

De aanleg begon onder de Nederlandse koning Willem I, die begin vorige eeuw in het paleis woonde. Hij liet een van de grootste oranjerieën van Europa bouwen. Van 1831 tot 1865 gebruikte Leopold I het paleis als zomerresidentie. Hij liet serres bouwen voor orchidee-variëteiten en onder Leopold II ontstond het idee van een wintertuin, waar een 'eeuwige lente' heerste. Het werd een ranke, omgekeerde puddingvorm met een kroontje op het glazen dak. Daarna werden de Maquat-, Kongo-, Diana- en de azaleaserre gebouwd. In de bouwstijl is al iets te zien van de opkomende Art Nouveau en in een brief aan Leopold II trekt architect Balat (leermeester van Horta) een vergelijking tussen een van de serres en het Palm House in Kew Garden. Zowel de wintertuin als de Kongoserre in Brussel hebben dezelfde langgerekte vorm van het Palm House.

Wie hier rondloopt waant zich in een sprookje: je loopt op koninklijke grond, zelfs de deurknoppen van de toiletten zijn voorzien van het koninklijke wapen en bij een withouten prieel vraag je je onwillekeurig af of koning Albert hier weleens koffie zit te drinken. Zoveel pracht en praal in deze tijd 'voor één persoon'? Een van de veertig tuinmannen die het domein onderhouden weet niet of de koning wel eens in de serres komt: “Ik heb de nieuwe koning hier nog nooit gezien. Maar misschien komt hij als wij naar huis zijn.”