RIOD-congres over herinnering WO-II; Een generatie zonder schuld

AMSTERDAM, 27 APRIL. Ze was 20 toen ze over de Muur kwam, 21 toen hij viel. Een jaar later, in oktober 1990, ging Anna Vogel terug naar Oost-Berlijn, naar de straat waar ze was opgegroeid. Aan het einde van de straat, op een kruispunt, waren begin jaren dertig drie café's. Eén was de stamkroeg van de nazi's, in de andere twee troffen respectievelijk communisten en sociaal-democraten elkaar. Haar vader, een sociaal-democraat, zat er vaak. En even vaak ging hij tegen sluitingstijd samen met de communisten op de vuist met de nazi's, vertelde Anna. De huilbuien van schaamte over 'haar volk' zijn minder geworden. Maar of ze ooit de schaamte van zich zal kunnen afschudden, betwijfelt ze.

Toch zullen er generaties opstaan zonder schuldgevoel, zei de Duitse hoogleraar dr. W. Benz, gisteren op de eerste dag van het RIOD-congres 'Herinnering en de Tweede Wereldoorlog in internationaal vergelijkend perspectief' in Amsterdam. En die generaties zullen beter in staat zijn naar het eigen verleden te kijken dan hun (voor)ouders, voegde hij eraan toe. Volgens Benz wordt door mensen van de oudere generatie in Duitsland nog steeds de schuldvraag omzeild, door te betogen dat ook het Duitse volk heeft geleden onder de nazi's.

Zoeken “naar een nooduitgang uit de geschiedenis”, noemde de historicus dr. F. Wielinga de houding van sommigen in Duitsland in zijn in 1993 verschenen boek 'Schaduwen van de Duitse geschiedenis.' “Maar die nooduitgang bestond niet en het nazi-verleden had zich al lang in de Duitse identiteit ingebrand.” In zijn vanmiddag gehouden rede tot het congres stond Wielinga uitgebreid stil bij de wijze waarop in Duitsland vanaf 1945 is omgegaan met het nazi-verleden. Hij wees erop dat niet ten onrechte de gedachte van een collectieve schuld werd verworpen - juist door hen die het debat over schuld en verantwoordelijkheid wilden aanzwengelen. De filosoof Karl Jaspers bijvoorbeeld met zijn publicatie 'Die Schuldfrage' (1946), waarin hij pleitte voor een gedifferentieerde schuldopvatting: een politieke, een morele en een criminele schuld. In zijn gevolg bogen meer intellectuelen, journalisten en kerkelijke leiders zich over de schuldvraag.

Volgens Wielinga was in Nederland, net als in Duitsland, sprake van een relatieve stilte gedurende de jaren vijftig. De wederopbouw vergde veel inspanning, de Koude Oorlog woedde, de gevolgen van de ramp die zich gedurende 1933 tot 1945 had voltrokken spookten door hoofden - zij waren geen onderwerp van publiek debat, ondanks regelmatige publikaties en de vijfduizend veroordelingen die Duitse rechtbanken tussen 1945 en 1950 uitspraken. De relatieve stilte kwam eind jaren '50 tot een einde. Het proces tegen een lid van een Einsatzgruppe die in Litouwen zeker 4000 joden had vermoord, trok grote aandacht. “Dat proces vormde de aanzet voor de vraag hoeveel er nog meer waren”, aldus Wielinga. Die vraag zou vanaf de tweede helft van de jaren zestig steeds luider klinken.

De Nederlandse tv-kijker zat in die periode gekluisterd aan het beeld als er weer een uitzending was van 'De bezetting'. Het boek van Presser 'Ondergang' liet lezers niet alleen verbijsterd achter - de jongere generatie wilde weten 'wat hebben jullie gedaan om dit te voorkomen?' De mythe dat heel Nederland in het verzet gezeten had begon een scheurtje te vertonen. Maar het zou tot begin jaren negentig duren voordat het besef collectief doordrong dat te weinig is gedaan om het leed van de joden te voorkomen. Hoogtepunt van dat besef was de toespraak van koningin Beatrix voor het Israelische parlement waarin zij zei dat het Nederlandse volk de ondergang van zijn joodse medeburgers niet heeft kunnen verhinderen. “Dergelijke uitingen worden veelal gezien als teken dat Nederland de laatste jaren bezig is met de verwerking van een pijnlijk oorlogsverleden”, aldus dr. I. de Haan, gistermiddag tot het congres.

Maar het is volgens hem een misvatting te stellen dat “de Nederlandse samenleving als geheel door de jodenvervolging is geraakt” en dat er dus sprake zou zijn van een nationaal trauma. Hij verwees naar Abel Herzberg die in zijn 'Kroniek van de Jodenvervolging' schrijft: “Het is een Joodse geschiedenis, geen Nederlandse. Vanaf de veertiende mei 1940 zouden de Joden in Nederland hun eigen weg moeten gaan. Zij kregen tegen wil en dank, een eigen levenslot te dragen.”

Wie praat over een nationaal trauma, gaat voorbij aan “deze essentiële splitsing in de Nederlandse samenleving”, aldus De Haan. Hij sprak in dit verband van een 'onvoorstelbare belediging': spreken van een nationaal trauma betekent “dat de vervolgers en omstanders net zoveel lijden onder hun misdrijf als de vervolgden.” Het is volgens hem beter de jodenvervolging te noemen wat zij is: “een misdaad tegen een groep Nederlandse burgers, begaan door Duitsers, met medeweten en medewerking van Nederlanders.”