Quasi-opgewekt maar o zo sarcastisch

Voorstelling: De kleine vrijheid, door De Zwarte Komedie. Tekst: Bert Verhoye, naar Erich Kästner. Spel: Myriam Bronzwaar. Muziek: Martin Jansen, Noureddine Farihi en Gregor Kartai. Regie: Richard Kerkhofs. Gezien: 25/4 in Klein Bellevue, Amsterdam. Aldaar t/m 28/4; Nederlandse tournee t/m 12/5.

“Het Derde Rijk doodt zichzelf, maar het lijk heet Duitsland,” schreef Erich Kästner begin 1945 in zijn dagboek, toen om hem heen de wereld instortte en het Duitse volk zich dof een weg baande door de laatste oorlogsmaanden. Met journalistieke precisie en superieure ironie deed hij verslag van de gekte: hoe er ondanks alles nog gedetailleerde voorschriften werden uitgevaardigd over het hergebruik van kapotte naaimachinenaalden, bijvoorbeeld, en hoe een groepje dwerg-artiesten bij de uitdeling van gasmaskers op zijn neus keek omdat de maskers niet klein genoeg waren. “'t Was om te lachen, maar niemand lachte.”

Het in Antwerpen gevestigde gezelschapje De Zwarte Komedie heeft veel met Kästner op, want het maakt satirische voorstellingen die vaak schatplichtig zijn aan de navrante toonzetting van het vooroorlogse Duitse cabaret. Uit diens laatste oorlogsdagboeken koos artistiek leider Bert Verhoye veelzeggende passages over de ondergang in het voorjaar van 1945 (“de natuur en de geschiedenis zijn het niet met elkaar eens en vechten voor onze ogen”) en de manier waarop de Duitsers zich daarna, zonder schuld te bekennen, aanpasten aan het nieuwe bewind, onderwijl hun alibi's oefenend en klagend dat het zo lastig was om aan een nieuwe vlag te komen. Daarbij voegde hij zangnummers uit het cabaret Die Kleine Freiheit van kort na de oorlog.

Ze worden gezegd en gezongen door Myriam Bronzwaar, expressief tot in haar vingertoppen, en pregnant begeleid door toetsen, trommelwerk en viool. Terwijl zij, schouderophalend, de illusieloze kanttekeningen van de door de nazi's tot werkloosheid gedwongen Kästner vertolkt, huilt de viool van Gregor Kartai bijtende tranen. En als de tekst quasi-opgewekt is, maar o zo sarcastisch, slaat Noureddine Farihi daar felle roffels bij.

Zo is De kleine vrijheid volledig dienstbaar gemaakt aan de onthullende observaties van de schrijver, die zijn landgenoten voor geen cent vertrouwde en over hen ook het onverbeterlijke lied schreef dat hier de passende finale vormt: Kennt Ihr das Land wo die Kanonen blühen?