Privé-transacties met warrants lokken onderzoek van justitie uit; Top Borsumij centraal in voorkennis-affaire

ROTTERDAM, 27 APRIL. Justitie onderzoekt misbruik van voorwetenschap bij privé-transacties op de effectenbeurs van bestuurders van het Haagse handelshuis Borsumij Wehry, J. N. en A. van der G. Zij zouden op de beurs hebben gehandeld in aandelen van Borsumij terwijl ze tegelijkertijd onderhandelden over de overname van de winstgevende technische groothandel Stokvis in december 1993. Eerder deze week werd al bekend dat ook beurstransacties van het pensioenfonds van Borsumij onderwerp van onderzoek vormen.

De Stichting Toezicht Effectenhandel (STE), die toezicht houdt op de Amsterdamse effectenbeurs, heeft onlangs aangifte gedaan van het vermoeden dat er gehandeld is met voorkennis - een vergrijp dat sinds 1989 strafbaar is. Op dit moment doet de Economische Controledienst (ECD) onderzoek in opdracht van het Openbaar Ministerie in Amsterdam.

Volgens welingelichte bronnen heeft het controlebureau van de beurs systematische overtredingen geconstateerd van de interne voorschriften (de modelcode). Dat onderzoek heeft meer dan een half jaar in beslag genomen. De modelcode wordt door bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen getekend om te verzekeren dat zij niet in aandelen handelen van het eigen bedrijf terwijl zij koersgevoelige informatie hebben.

Van de aangifte, die leidde tot het onderzoek van de ECD, maakte Borsumij begin deze maand gewag in een persbericht. Het Haagse handelshuis deelde mee dat er een onderzoek gaande was naar “functionarissen” en dat zij geen enkele twijfel had over een gunstige afloop.

Begin december 1993 kochten N. en Van der G. een partij warrants op aandelen van Borsumij Wehry. Deze warrants zijn vergelijkbaar met opties en geven de bezitter het recht om tegen een vastgestelde prijs aandelen Borsumij te kopen. Ten tijde van de transactie hielden de Borsumij-bestuurders ook besprekingen over de aankoop van het handelsbedrijf Stokvis. Stokvis - afkomstig uit de erfenis van het failliete Ogem-concern - werd op dat moment geleid door grootaandeelhouder mr. G. van den Brink. Van den Brink zou na de overname als derde man toetreden tot het bestuur van Borsumij.

Op 20 december 1993 maakte Borsumij Wehry bekend dat het bedrijf op het punt stond Stokvis over te nemen. De directie stelde in een toelichting destijds dat de overname reeds “in 1994 een positieve bijdrage” zou leveren aan de winst per aandeel Borsumij. Op de beurs werd opgetogen gereageerd. De koers van het aandeel Borsumij steeg diezelfde dag nog van 121 gulden naar 127,50, een winst van meer dan 5 procent. De beurs beschouwt de kennis over de op handen zijnde overname van Stokvis als koersgevoelige informatie, en ziet zich daarin gesteund door de koersstijging die volgde nadat het nieuws bekend was gemaakt. In de ogen van de toezichthouders hadden de Borsumij-bestuurders in die situatie nooit mogen handelen in aandelen van het eigen bedrijf of daarvan afgeleide produkten zoals warrants.

De speurders van het controlebureau van de effectenbeurs hebben eveneens geconstateerd dat ingewijden bij Borsumij hebben gehandeld in eigen aandelen kort voordat de onderneming op 15 maart 1994 een splitsing van het aandeel bekend maakte. Door het waardepapier in vijf delen te knippen werd het aandeel zoals dat in beursterminologie heet “optisch aantrekkelijker”. Ook dit vindt de beurs koersgevoelige informatie.

De Borsumij-bestuurders zijn in de ogen van de beurs bovendien nog eens in de fout gegaan door aandelen Borsumij te verkopen, terwijl ze die aandelen kort daarna in feite weer terugkochten. De modelcode verbiedt dergelijke tegengestelde transacties.

Op het gebied van handel met voorkennis in aandelen van de eigen onderneming bestaat in Nederland geen jurisprudentie. De enige zaak die tot een veroordeling heeft geleid is die van voormalig Begemann-bestuurder Joep van den Nieuwenhuyzen, maar die handelde als privé-persoon in aandelen van een ander bedrijf: HCS. Er is op dit moment nog een onderzoek gaande naar diezelfde Van den Nieuwenhuyzen vanwege handel in aandelen van de eigen onderneming ten tijde van onderhandelingen over de overname van scheepswerf RDM in 1991. Ook doet justitie een onderzoek naar Orco Bank waar gehandeld is in eigen aandelen voordat er in 1993 een halfjaarresultaat werd bekend gemaakt. Beide onderzoeken zijn nog niet afgerond.

Als de aantijgingen tegen de Borsumij-bestuurders tot daadwerkelijke vervolging zullen leiden, zijn er factoren die de zaak ingewikkeld maken. Zo gaat het bij de aangekochte warrants rond de overnamebesprekingen van Stokvis om stukken die verkregen werden in de zogenaamde grijze handel. De warrants waren gekoppeld aan een obligatielening van 75 miljoen gulden die Borsumij eind november 1993 uitgaf. Op 29 en 30 november van dat jaar konden beleggers inschrijven op die lening en kregen per obligatie een aantal warrants die appart verhandelbaar werden. De twee bestuurders schreven niet in op de lening, maar kochten kort daarna de warrants - nog voordat ze officieel aan de beurs genoteerd werden. Juristen zullen zich bij daadwerkelijke vervolging buigen over de vraag of dergelijke grijze handel ook onder de strafrechtelijke bepalingen over handel met voorkennis kunnen vallen.