Presteer nu, ontvang later

Op de basisbeurs is sinds de invoering in 1986 aanhoudend bezuinigd. Na de tempobeurs van 1993 staat nu de prestatiebeurs voor de deur. 'Studeren als investeren in jezelf.'

Geen vijf jaar basisbeurs meer, maar een jaar korter een 'basislening' die pas kwijtgescholden wordt als binnen zes jaar het diploma is behaald. Zie daar het lot van 120.000 eerstejaarsstudenten die komende september aan de slag gaan, en de jaren daarna geleidelijk aan van alle studenten - als de Kamer na het debat van vandaag en gisteren zo ongeveer de vijfentwintigste wijziging van de Wet op de studiefinanciering sinds de invoering in 1986 heeft goedgekeurd.

De gemiddelde studieduur ligt nog altijd ruim boven de vijf jaar, maar de bekorting van de basisbeurs tot vier jaar zal daar waarschijnlijk snel een einde aan maken. Studiefinanciering is een probaat middel om de ijver van de studenten te beïnvloeden, de bekorting in 1991 van zes naar vijf jaar heeft dat al duidelijk gemaakt.

Dat nu de beurzen eerst als lening worden uitgekeerd, en pas achteraf worden omgezet in een schenking, is in feite niet meer dan een budgettair trucje. Op deze manier kan minister Ritzen de uitgaven voor studiefinanciering eenvoudigweg een paar jaar uitstellen, wat een financiële adempauze schept. In zijn toelichting op het wetsontwerp geeft hij dat ruiterlijk toe. Volgend jaar komt het kabinet met een nieuw plan voor de stufi, waarbij 'de discussie niet per se belast hoeft te worden met een verdere financiële taakstelling'.

Van een afrekening per jaar, zoals nu bij de tempobeurs, is afgezien omdat deze jaarlijkse beoordeling veel administratieve rompslomp met zich mee brengt. Ook meent Ritzen dat dit 'diploma-model' duidelijk maakt dat de overheid geen verantwoordelijkheid meer wil nemen voor 'het sprokkelen van losse vakken'. Een herkenbaar diploma, daar wil de overheid voor betalen en verder niet. Op de termijn van zes jaar wilde Ritzen aanvankelijk geen uitzondering maken, alleen langdurig gehandicapten konden drie jaar verlenging krijgen. Maar dat ging de Kamer gisteren te ver. Per amendement werd de mogelijkheid ingevoerd een periode van 12 maanden 'de klok stil te zetten'. Wie tijdens zijn studie ziek wordt, een jaar naar het buitenland gaat of anderszins verhinderd wordt te studeren krijgt dus wat meer lucht - als hij zijn diploma maar voor zijn 27ste haalt. Langer dan vier jaar basisbeurs, al dan niet onderbroken, krijgt niemand.

Riant

In 1986 was het Nederlandse stelsel voor studiefinanciering nog riant en - achteraf gezien - eenvoudig. Het bestond uit een basisbeurs voor iedere student en scholier ouder dan zeventien jaar met daarboven een aanvullende beurs en studieleningen voor studenten uit armere milieus. 'Stufi 18+' verving een ingewikkeld, historisch gegroeid systeem van kinderbijslag, belastingaftrek en beurs (lening en gift).

Het nieuwe systeem was niet duurder, heeft het onderzoeksbureau Beerenschot een paar jaar geleden nog eens nagerekend: ook in belastingaftrek en kinderbijslag gingen miljarden om. Sindsdien is het alleen maar kariger geworden. De meeste bezuinigingen op de onderwijsbegroting van de laatste jaren zijn afgewenteld op de studiefinanciering. Vorig jaar werd daaraan in het hoger onderwijs nog zo'n 2,4 miljard gulden uitgegeven, gemiddeld bijna zevenhonderd gulden per maand per student met recht op studiefinanciering. Volgens de plannen van de paarse coalitie moet dat bedrag in 1998 zijn gedaald tot 800 miljoen - zo'n 250 gulden per rechthebbende student. Ter vergelijking: in 1989 gaf Onderwijs nog 988 gulden per maand uit per stufi-klant per maand.

Die bezuinigingen zijn verdedigbaar, zegt Ritzen - de laatste jaren welhaast dagelijks in confrontaties met protesterende studenten. Want 'studeren is investeren in jezelf'. Die investering blijkt vooral uit het steeds grotere belang van 'lenen'. Sinds 1 januari van dit jaar - de 24ste wijziging van de wet - kan iedere student zijn hele maandbudget (minus basisbeurs van, nu nog, 470 gulden) lenen. Bijvoorbeeld omdat hij geen recht heeft op een aanvullende beurs, geen bijbaantje wil of kan nemen of omdat zijn ouders niet willen bijspringen. Ongeveer 40 procent van de leenmogelijkheden wordt benut. 'De studenten geven er de voorkeur aan geen studieschulden op te bouwen', merkt Ritzen op in een toelichting bij het nieuwste wetsontwerp.

De aankomende eerstejaars mogen nog van geluk spreken dat ze hun 'voorlopige lening' kunnen terugkrijgen bij voldoende studiepunten. Want Ritzen speelt serieus met de gedachte om de basisbeurs (al dan niet eerst als lening verstrekt) maar helemaal af te schaffen. 'Studieleningen die je later naar rato van je inkomen terugbetaalt zijn eerlijker dan voor iedereen dezelfde basisbeurs', hield de minister eind vorig jaar in Arnhem in een verhitte vergadering met onthutste studenten vol. Hooguit wil Ritzen, als rechtgeaard sociaaldemocraat, een beursdeel handhaven voor studenten uit de armere milieus, om te voorkomen dat deze te veel worden afgeschrikt door de dreigende studieschulden.

Voorwaardelijk

De basisbeurs is fors verlaagd, van 600 gulden in 1986 tot 420 gulden in de komende jaren. Hij wordt voortaan voorwaardelijk verstrekt en gaat voor een steeds groter deel op aan het almaar stijgende collegegeld: zo'n 20 procent in 1987 tot ruim de helft in 1998. Verder is de lengte van de 'beurs'-verstrekking beperkt van ruim zes naar vier jaar en van de populaire OV-studentenkaart is alleen nog een week- of weekendkaart over. Toch gaat nog altijd de overgrote meerderheid van de scholieren studeren. Want met een hbo- of universitaire opleiding vind je nu eenmaal sneller - en ook leuker - werk dan met alleen havo of vwo. De Stichting Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek rekende vorig jaar uit dat lenen voor een hoge opleiding loont: het individuele, financiële rendement van het hoger onderwijs ligt vrijwel altijd hoger dan de rentevoet.

Studieleningen op zich zijn al sociaal genoeg, vindt minister Ritzen. Het 'sociale' van de studieleningen zit hem in de terugbetalingsregeling van het ministerie, die geen bank ooit zal bieden. Want na zijn afstuderen of na het afbreken van zijn studie betaalt de ex-student de studieschuld af naar rato van zijn inkomen. Het bedrag per maand varieert van zo'n 100 gulden voor iemand met minimumloon tot ruim 500 gulden voor hij die bruto 50.000 gulden verdient. Wie weinig terugbetaalt ziet zijn schuld fors oplopen, want de rente is 1,2 procent boven die op staatsleningen en bedraagt nu ongeveer 8,4 procent. Maar wat na vijftien jaar nog openstaat wordt kwijtgescholden, waarbij de staat opdraait voor de kosten. 'Het sociale risico', noemt Ritzen dat.

Academicibelasting

In feite is ook het beurzenstelsel dat de landelijke studentenvakbond LSVb voorstaat op dit leningenstelsel gebaseerd. De LSVb wil een 'academicibelasting' invoeren voor alle afgestudeerden van hbo en universiteit, die wordt geheven over een periode die afhangt van de tijd dat de betrokkene heeft gestudeerd. De opbrengst wordt in een fonds gestort, samen met de nu nog vrijwillige ouderlijke bijdragen. Uit dat fonds worden de 'beurzen' betaald.

Een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam uit 1993 (Verder studeren deel 2) leerde dat de verwachte omvang van de studieschuld geen rol speelde bij de beslissing van eindexamenkandidaten in 1991 om te gaan studeren. Maar die verwachting lag toen nog laag, zo tussen de 4,5 en 6,5 duizend gulden. Wie nu vier jaar studeert en daarbij iedere maand 175 gulden leent (bij een basisbeurs van 420 gulden per maand geen luxe) kan aan het einde van zijn studie rekenen op een schuld van zo'n 10.000 gulden. En sinds de invoering van de tempobeurs in 1993 is het gevaar van grote schulden alleen maar toegenomen: wie in een jaar niet voldoende studiepunten haalt ziet zijn beurs omgezet in een lening. Voor een arme student met een maximale aanvullende beurs levert dat al gauw 10.000 gulden extra schuld op.

Het nieuwe systeem van de prestatiebeurs is nog angstaanjagender. Want daarbij wordt de studievoortgang over het eerste jaar bekeken, en vervolgens aan het einde van de studie opnieuw. Alleen wie binnen zes jaar een diploma heeft krijgt een beurs, voor de anderen blijft de schuld staan. Wie een volledige aanvullende beurs 'krijgt' en het 'peilpunt' na zes jaar niet haalt kan rekenen op een extra schuld van zo'n dertigduizend gulden. In het extreme geval dat een student het eerste jaar onvoldoende punten haalt, niet bijverdient en ook nog eens niet in zes jaar een diploma haalt, heeft hij een schuld opgebouwd van zo'n zestigduizend gulden. Als hij dan ook nog eens de laatste twee van die zes jaar zijn volledige maandbudget leent, in een wanhoopsoffensief alsnog wat te bereiken, komt hij uit op op een schuld van een ton - zonder dat daar een diploma tegenover staat. Een extreem geval, en als deze falende student geen baan vindt zal hij door de sociale afbetalingsregeling - die niet ter discussie staat - nauwelijks iets van zijn schuld hoeven af te betalen.