OORLOGSHELD OF PATIËNT

F.A. Begemann. Erkenning en solidariteit? Een hermeneutische en een kritische visie op de hulpverlening aan oorlogsgetroffenen. 280 blz. Lisse, Swets & Zeitlinger Promotie 8 februari. Vrije Universiteit Amsterdam. Promotor prof.dr. H.M. van der Ploeg.

Ik ben na de Tweede Wereldoorlog geboren - Koningin Wilhelmina trad net af - en elke keer verbaas ik me er weer over hoe dichtbij nog is wat voor mij al zo definitief voorbij lijkt. Deze week zag ik op de Duitse televisie uit een Russische schoenendoos een stukje van de schedel van Hitler tevoorschijn komen, met kogelgat en al. Zijn secretaresse, zijn lijfwacht, de laatste Reichsjugendsturmführer, bejaard maar vitaal, vertelden tot in details het verhaal van zijn laatste uren en in welke houding zij Hitler na zijn zelfmoord aantroffen op de sofa in de Führerbunker. Zijn as blijkt nog niet eens zo lang geleden op bevel van Andropov in de Elbe ter hoogte van Magdeburg verstrooid te zijn. Er is veel te herdenken en er wordt veel herdacht, nog altijd ook door de mensen die de oorlog zelf mee hebben gemaakt en er ook aan hebben deelgenomen. De Tweede Wereldoorlog is de eerste oorlog geweest waaruit ook de helden als getroffenen te voorschijn zijn gekomen, en dat steeds meer naarmate ze ouder zijn geworden. De Amsterdamse psychiater W. Op den Velde onderzocht bijna tien jaar geleden een representatieve steekproef van mensen die erg actief in het verzet waren geweest. Ruim 40 jaar na de oorlog had de overgrote meerderheid van hen (80%) te maken (gehad) met verschijnselen, die bij een posttraumatische stress-stoornis horen, zoals herhaalde nachtmerries, dwangmatige herinneringen, overmatige waakzaamheid, vermijdingsgedrag, geheugenstoornissen en vlak gevoel. Dat is een erg hoog percentage, hoger nog dan van Vietnamsoldaten inmiddels bekend is en zeer veel hoger dan bij 'gewone' oorlogsveteranen, zoals deze maand in de American Journal of Psychiatry nog eens bleek uit een uniek onderzoek onder een groep mannen, wier geestelijke gezondheid al meer dan 50 jaar systematisch gevolgd wordt. Beslissend voor de kans op een posttraumatische stress-stoornis is vooral of men - en dan nog gedurende langere tijd of herhaalde malen - in zeer gevaarlijke en levensbedreigende situaties heeft verkeerd. Voor verzetsdeelnemers en concentratiekampslachtoffers geldt dat gemiddeld veel meer dan voor soldaten. Naar verhouding is de kans op zulke problemen in een land als Nederland dus groter dan in de Verenigde Staten (althans voor wat betreft WO II) of Engeland. Het is niet moeilijk voor te stellen dat dit straks, als de krijgshandelingen eindelijk eens ophouden, nog eens te meer zal gelden voor de inwoners van Sarajevo, Grosny of Kigali. Echt vrede zal het voor de meeste van hen nooit meer kunnen worden. Het woord posttraumatische stress-stoornis komt in het proefschrift van Freddy Begemann nauwelijks voor. Het is een heel onpsychologisch en onpsychiatrisch proefschrift, al gaat het voor een belangrijk deel over de mensen waaraan Nederlandse onderzoekers en hulpverleners, waaronder zijn eigen promotor, hun internationale reputatie op het gebied van de psychotraumata danken. De psychologische en psychiatrische invalshoek wordt in het proefschrift overigens in het geheel niet ontkend of genegeerd, maar het uitgangspunt is gewoon heel anders. In de plaats van de aandacht voor de individuele pathologie is de vraag naar het probleem van de sociale erkenning gekomen. In Nederland is, overigens pas vrij laat na de oorlog, een heel systeem van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen tot stand gekomen. Er zijn bijzondere pensioen- en uitkeringsregelingen en bijzondere vormen van psychotherapeutische en psychosociale zorg voor ex-verzetsdeelnemers, burgerslachtoffers, militairen, Joodse en Indische vervolgden. Altijd moet bewezen worden, dat de betrokkene ook inderdaad tot de betreffende categorie behoort, en in veel gevallen ook de huidige problemen nog het gevolg zijn van wat men in de oorlog heeft meegemaakt. Oorlogservaringen geven recht op hulp, maar niet altijd, niet voor iedereen en vooral niet automatisch. De hulp wordt niet gebracht of aangeboden, maar moet gevraagd worden. Daarna wordt bekeken of de aanvraag terecht is geweest en in hoeverre daar binnen het kader van de uitkeringsregeling of de hulpverleningsprioriteiten aan voldaan kan worden. Dat kan heel vernederend zijn en er zijn dan ook altijd veel problemen geweest met de uitvoering van de verschillende regelingen. De procedures zijn lang, soms zeer lang, en de aanvrager moet voor een belangrijk deel zijn eigen gelijk bewijzen, inmiddels vrijwel altijd tegenover mensen die zelf de oorlog niet hebben meegemaakt. Dat is krenkend en het kan ertoe leiden dat met grote hardnekkigheid financiële compensatie gezocht gaat worden voor wat eigenlijk een vorm van sociale erkenning zou moeten zijn. Beter gezegd, het hulpverleningssysteem heeft zelf perverse trekken, omdat het de sociale erkenning van in de oorlog aangedaan of door de oorlog ontstaan leed niet anders kan uitdrukken dan in geld. Een uitkering wordt dan een beloning en erkenning tegelijk, nog helemaal los van het feit dat veel getroffenen de uitkering ook echt nodig hebben. De paradox van de erkenning als oorlogsgetroffene wordt nog versterkt door het feit, dat de betrokkene - zeker een aantal jaren geleden was dat zo - vaak zelf niet het verband ziet tussen de huidige problemen (niet meer kunnen werken, last hebben van depressies) en wat er vroeger is gebeurd. Na de oorlog was het motto 'niet zeuren, aanpakken en opbouwen' en dat gold voor iedereen, ook voor vervolgden en kampslachtoffers. Het is een houding die velen ook echt lange tijd geholpen heeft, maar die tegelijkertijd met het klimmen der jaren voor steeds meer mensen ook steeds moeilijker werd om vol te houden. Juist voor deze mensen is er een belang mee gemoeid hun uiteindelijke 'falen' - zo zien ze het vaak zelf - te kunnen verbinden met wat ze in de oorlog hebben meegemaakt. Het heft het gevoel van vervreemding op, het biedt een nieuwe en respectabele identiteit en het kan het begin zijn van de verwerking van wat zolang verdrongen was. Gemakkelijk is dat laatste allerminst. In een analyse van de autobiografische roman van G.L. Durlacher 'De Zoektocht' laat Begemann nog eens in heel gecondenseerde vorm zien hoe moeilijk het kan zijn een traumatisch verleden - in dit geval een verblijf in het kamp Birkenau - tot de eigen beleving toe te laten. Dat geldt nog eens te meer wanneer het collectief gebeurt, samen met anderen die hetzelfde hebben meegemaakt. Michael Norman beschreef in 'These good men. Friendships forged from war' (1989) al iets dergelijks voor een groep Vietnam-veteranen. In beide gevallen blijkt hoe moeilijk maar ook hoe belangrijk het is de ervaringen van toen uit te spreken en tot gedeelde verhalen te maken. In een groep van betrokkenen ontstaat voor wie dat wil en kan, een gemeenschappelijk verleden, maar ook een gevoel van solidariteit en wederzijdse erkenning. Die behoefte kan ook bestaan bij wie geen gedeeld verleden heeft, maar wel de gevolgen van een gedeeld verleden met zich mee draagt: de kinderen van oorlogsgetroffenen. Zij zijn opgegroeid in de schaduw van ervaringen, die vaak onbesproken zijn gebleven, maar zich onmiskenbaar lieten gelden. In praat-en zelfhulpgroepen worden individuele ervaringen wederzijds getoetst en daarmee 'sociaal' gemaakt: de eigen jeugd kan geherinterpreteerd worden met behulp van de ervaringen van vergelijkbare anderen. Men kan met dezelfde gezinsgeheimen en taboes geconfronteerd zijn, maar ook met eenzelfde terughoudendheid om nog vorm te geven aan de eigen joodse of indische identiteit. De erkenning en herkenning daarvan kan een verandering in de relatie met de ouders tot gevolg hebben, maar ook ruimte geven om zelf nieuwe en andere keuzes te maken. Voor Begemann staat wat Durlacher beschrijft en wat bij de naoorlogse generaties gebeurt duidelijk tegenover de bureaucratisch-formele, juridische en individualiserende manier waarop in het kader van de moderne verzorgingsstaat wordt omgegaan met de oorlogsgetroffenen. De verzorgingsstaat kan ook niet anders, ze is ingericht op de zorg voor slachtoffers, zoals de traditionele natiestaat was ingericht op het eerbetoon aan de helden. De suggestie van collectiviteit die in de natiestaat besloten ligt, laat niet veel ruimte voor de individuele oorlogsgetroffene (weinigen zouden ook geneigd zijn zich in dit soort termen te beschrijven), terwijl de verzorgingsstaat zich wel het lot van de individuele getroffene aantrekt, maar weinig doet om hem een positieve identiteit te verschaffen. De oorlogsgetroffene moet bewijzen slachtoffer te zijn. De problemen die daaruit voortvloeien probeert de verzorgingsstaat op te lossen met bijzondere psychotherapeutische hulpverleningsarrangementen: instellingen als Centrum '45 zijn er alleen voor oorlogsgetroffenen en wijden zich ook uitsluitend aan de eigen problemen van de oorlogsgetroffene, die zich ook niet meer als zodanig hoeft te bewijzen. De symbolische betekenis van Centrum '45 als instelling van en voor oorlogsgetroffenen is dan ook erg groot. De anonieme financiële solidariteit van de Nederlandse bevolking, die de pensioenen en uitkeringen mogelijk maakt, krijgt in Centrum '45 een persoonlijke invulling in de solidariteit van de hulpverleners met hun patiënten. De paradox is duidelijk: om die solidariteit te kunnen verwerven, moet de getroffene de identiteit van patiënt aannemen. De afstand tot de oorlogsheld is dan wel heel groot geworden. Begemann heeft zijn proefschrift gebaseerd op een reeks kwalitatieve onderzoeken, die hij vanaf ongeveer 1980 als onderzoeker van de Stichting ICODO (Informatie-en Coördinatie Orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen) heeft uitgevoerd. In het proefschrift worden ze samengebracht en met elkaar in verbinding gebracht op een hoger theoretisch plan. Dat gebeurt op een manier, die ik nog nooit eerder ben tegengekomen. De hele problematiek van de hulpverlening aan oorlogsgetroffenen wordt opnieuw geïnterpreteerd in het licht van zowel de filosofische hermeneutiek van H.G. Gadamer als de theorie van het communicatieve handelen van Jürgen Habermas. Met behulp van Habermas onderzoekt Begemann in hoeverre de hulpverlening aan oorlogsgetroffenen systeemkenmerken heeft, dat wil zeggen, deel uitmaakt van het door rationaliteit en strategisch handelen gekenmerkte domein van het overheidshandelen. In de leefwereld van de oorlogsgetroffenen gaat het echter om erkenning en solidariteit, om communicatief en op wederzijds begrip gericht handelen. Hoeveel ruimte laat de georganiseerde hulpverlening daar nu voor en hoe proberen de oorlogsgetroffenen zelf binnen de systeemwereld van de arrangementen van de verzorgingsstaat de behoeften van de leefwereld te realiseren? Het is misschien wel typisch Nederlands om zo abstracte en zo complexe theorieën als die van Gadamer en Habermas zo concreet en precies te gaan toepassen op een praktijksituatie, maar ik moet zeggen dat het echt wat oplevert. Het inzicht in de problemen van de oorlogsgetroffenen en hun hulpverleners neemt er echt door toe. Het blijkt bovendien mogelijk op een andere manier dan met behulp van de psychologische stress en traumatheorieën ook op het niveau van het individu inzicht te krijgen in de verwerking van gebeurtenissen, die naar hun aard, intensiteit en duur buiten de wereld van de normale menselijke ervaring vallen.