Nieuwe buitenplaatsen moeten landschap opfrissen

UTRECHT, 27 APRIL. Het Nederlandse landschap moet worden opgefrist met 'nieuwe buitenplaatsen', een moderne en bescheidener variant van de achttiende-eeuwse pronkstukken van rijke Nederlanders. Minister Van Aartsen (landbouw, natuurbeheer en visserij) ontvouwde in Utrecht deze romantische visie op de inrichting van het landschap.

In de discussienota Visie Stadslandschappen die hij daar overhandigde aan de voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, burgemeester Opstelten van Utrecht, doet de minister een aantal suggesties om meer groen in de stedelijke omgeving te creëren.

Zo wil Van Aartsen de buitenplaats nieuw leven inblazen. Als geschikte locaties daarvoor noemt hij kwetsbare stukken natuur die zich niet lenen voor intensieve recreatie, zoals kwelgebieden en duinen. Ook in de directe omgeving van steden kunnen die buitenplaatsen worden gebouwd, vindt de minister. Stedelingen kunnen volgens hem dan meegenieten van de parken die om de steden heen liggen. Er moeten 'verantwoorde' buitenplaatsen worden gebouwd, zegt Van Aartsen: “Buitens die niet alleen profijtelijk zijn voor degenen die zich er vestigen, maar voor de gehele gemeenschap.”

Milieu zou meer dan tot nu toe richtsnoer moeten zijn bij stedelijke ontwikkeling zodat een “ecologisch hoogwaardig stadslandschap” ontstaat, aldus de bewindsman. Tegelijkertijd moet de burger in de visie van Van Aartsen meer betrokken worden bij het werk van de boer. Hij ziet daarvoor vooral mogelijkheden in de Randstad, waar bebouwing en land- en tuinbouwgrond dicht bij elkaar liggen.