Methaan goede indicator voor oppervlak aan veen en moeras

Uit het onderzoek aan ijsmonsters is gebleken dat de concentratie methaan in prehistorische tijden sterk varieerde en dat die veranderingen samenhingen met veranderingen in het klimaat. Nu zijn methaan-concentraties eigenlijk alleen goed bekend uit de afgelopen duizend jaar. Gegevens over het grootste deel van het Holoceen zijn op zijn best onvolledig.

Onderzoekers uit Bern en Genève hebben nu het gat tussen die twee perioden gedicht met behulp van metingen aan de ijskern die enkele jaren geleden werd opgeboord in Groenland. Met behulp van gaschromatografie werd de concentratie methaan in de luchtbelletjes op verschillende diepten (ouderdommen) in het ijs bepaald. Het blijkt dat de concentratie methaan in de atmosfeer tussen 1000 en 12 000 jaar geleden sterk varieerde.

De hoogste waarden (725 ppb: delen per miljard) traden op tussen 11.500 en 8500 jaar geleden. Rond 8200 jaar geleden vond een snelle daling plaats (tot 600 ppb), direct gevolgd door een stijging tot een gemiddelde rond 670 ppb. Vanaf 7000 jaar geleden trad weer een daling op, tot 5200 jaar geleden een minimum van 590 ppb werd bereikt. Daarna steeg de concentratie weer en werd in drie stappen rond het jaar 1000 de bekende vóór-industriële waarde van 730 ppb bereikt (Nature 374, p. 46).

De onderzoekers merken op dat uit andere variabelen in het ijs, zoals het elektrische geleidingsvermogen en de verhouding tussen verschillende isotopen van zuurstof, blijkt dat het klimaat in het Holoceen eigenlijk vrij stabiel was. Dit zou er op wijzen dat de gemeten variaties vooral moeten worden toegeschreven aan variaties in het mondiale oppervlak aan tropische wetlands (venen, moerassen, etc. ) die belangrijke bronnen van dit gas zijn.

Het begin van het Holoceen was de vochtigste periode. De kortstondige daling van het methaangehalte rond 8200 jaar geleden zou precies samenvallen met de bekende periode van droogte in tropisch Afrika en Tibet. En de stijging van het methaangehalte vanaf 5200 jaar geleden zou een combinatie van twee factoren kunnen zijn: het droger worden van de gronden op lagere breedten en het in sterkere mate natter worden van de gronden op hogere breedten. Dit laatste blijkt onder andere uit de veenvorming in landen als Canada en Zweden. (George Beekman)