Kritische wethouder voert campagne

AMSTERDAM, 27 APRIL. Als dit de stadsprovincie wordt, dan doet Amsterdam niet mee. Ferme woorden van de Amsterdamse wethouder G. ter Horst. Maar tot wie waren ze gericht?

Ter Horst presenteerde gisteren een 'tussenbalans' van de onderhandelingen tussen rijk, provincie, Amsterdam en de vijftien fusiepartners van de toekomstige stadsprovincie, verenigd in het ROA. De inzet is de macht die de provincie in 1998 zal krijgen. Het oordeel dat het stadsbestuur gisteren tussentijds uitsprak, klonk streng en vastberaden: dit vinden we onvoldoende. Zeven 'essentiële zaken' zijn niet naar tevredenheid van Amsterdam geregeld. Maar, voegde Ter Horst er meteen aan toe, de race is nog niet gelopen. Met de definitieve tekst van het voorontwerp, op de agenda voor half juni, zal Amsterdam naar haar verwachting tevreden kunnen zijn.

Voor de staatssecretaris van binnenlandse zaken kan dit geen nieuws zijn; die onderhandelt wekelijks met Ter Horst. Met het 'signaal' van gisteren kan Amsterdam meer druk op die onderhandelingen hebben willen zetten. Het lijkt er meer op dat de geadresseerde, over het hoofd van de gemeenteraad heen, vooral de bevolking van de stad is. En dat het hier gaat om een onderdeel van de campagne die de gemeente voert om de inwoners aan haar zijde te scharen.

Tot een half jaar geleden was het fusieproces tamelijk overzichtelijk en voorspelbaar. Grote partner Amsterdam wilde graag, heel graag. De kleintjes, de buren, stribbelden tegen en waren bang dat ze zouden worden opgeslokt. Die overzichtelijkheid is volkomen verdwenen op het moment dat bekend werd dat in Amsterdam een referendum zal worden gehouden over de stadsprovincie.

Het gaat bij het referendum op 17 mei - als de race dus nog altijd niet gelopen is - nauwelijks om de vraag: wilt u meedoen met de stadsprovincie? Het gaat om de voorwaarde: vindt u het goed dat Amsterdam daarvoor in 13 gemeenten wordt opgesplitst? Dat is het zoenoffer dat de grote stad heeft gebracht om de kleine buren op hun gemak te stellen. Op die laatste vraag is volgens de opiniepeilingen een oorverdovend 'nee' te verwachten. Het stadsbestuur lijkt alleen nog maar te kunnen hopen dat de opkomst te gering zal zijn voor een rechtsgeldig resultaat. Tenzij de kiezers genoegen nemen met de toezegging van Ter Horst, dat een unaniem Amsterdams 'ja' de onderhandelingspositie van de hoofdstad zodanig versterkt dat zij haar zin krijgt van staatssecretaris Van der Vondervoort.

Door een onvolkomen tussenstand te presenteren en daarvan te zeggen 'wij vinden het ook nog niks', heeft het stadsbestuur zichzelf in elk geval een nooduitgang geschapen. Als een meerderheid van de Amsterdamse bevolking op 17 mei 'nee' zegt, kan het bestuur wijzen op zijn eigen oordeel van gisteren en zich, samen met de bevolking, afkeren van de onderhandelingen. Dan is de staatssecretaris de grote boosdoener.

Maar zelfs een 'nee' bij het referendum zal de positie van Amsterdam nog versterken. Dan moet Ter Horsts partijgenoot Van der Vondervoort wel meer toegeven aan haar wensen in de rest van de onderhandelingen. Dan kan het stadsbestuur na afloop tegen de bevolking zeggen: bedankt voor jullie oordeel, je ziet dat we er nog voordeel voor de stad mee hebben behaald.