In Liefde Bloeyende; Uit: De holle man. 4

Ik, kleine slaaf van poëzie en taal mij was ter borst de eerste melk al schraal. Zó droef, zó dun klonk 't moedermonds verhaal waar het kanon in doorklonk van Transvaal en zó vol tranen was het kleine lied van bruut verraad en simpel boers verdriet dat, wat mij voedde, woord en melk en brood dit ál doortrokken was van dood en dood.

Gerard den Brabander (1900-1968)

Ik ben niet echt dol op dit gedicht. 't Wil zo pertinent poëtisch zijn, met van die gevoelvolle penseelstreken die in feite elke subtiliteit onderschilderen. Een verhaal waar een kanon in doorklinkt, 't zal waarachtig wel, maar een verhaal dat dun klinkt terwijl er een kanon in doorklinkt, daar komt al een ingewikkelder staaltje contorsionisme aan te pas. Een lied vol tranen, jawel, maar dat het een regel verder bovendien een lied van verdriet blijkt te zijn, je valt van verbazing van de stoel. Dit is poëzie die op bluf en suggestie berust, een dik aangezet melodrama, maar tja, wat dan nog? De beste poëzie berust op bluf en suggestie.

De echt ergerlijke aanstellerij - zie mij eens kunstenaar zijn - begint in dit gedicht met het taalgebruik waarbij dichterlijkheid wordt verward met dorpsnotarisachtige deftigheid. Mij was ter borst de eerste melk al schraal. Ik kan me bij Ter Apel, Terschelling en Terborgh iets voorstellen, en ook bij ter aarde, ter helle en ter plaatse, maar bij ter borst? 't Is beslist dichterlijk. En 't moedermonds verhaal... Dichters vinden misschien iedere dag nieuwe woorden en verbuigingen uit, het is ze gegund, maar dit genre á la broederschapse dronk of vaderhandse bestraffing lijkt me een te krampachtig genre. Ik vrees dat de dichter in dit geval te lang naar zijn moedermelkse tiet uit de tweede regel heeft getuurd.

Als het ware om het moedermonds verhaal te vergoelijken en zin te geven wordt de figuur nog eens herhaald in het boers verdriet, wat we vanzelf - met Transvaal in ons doorklinkende - moeten lezen als het verdriet van de Boeren.

Of als Rooineks vreugde.

Is dan de beginregel van dit gedicht - Ik, kleine slaaf van poëzie en taal - niet prachtig? Ontroerend en bescheiden? Van een relativerende pathetiek? Jawel, jawel. De aantrekkingskracht van dit vers valt voor een belangrijk deel te verklaren uit het feit dat de eerste regel er een is van relativering, zelfverkleining, ironie maar minstens zo belangrijk is dat het begint met ik.

Ik als eerste woord, ik met een hoofdletter.

Het is een gedicht dat op het lijf lijkt geschreven van ironiserende, zelfverkleinende solipsisten van het doe-maar-gewoon-slag, maar niettemin... solipsisten. Die niet gewichtig willen 'overkomen' en zich toch gewichtig voelen. Die hun pathetiek en melodrama tussen aanhalingstekens zetten, maar er niet minder pathetisch en melodramatisch om zijn.

Ik, kleine slaaf van poëzie en taal... is, het hoge woord moet er uit, een door en door kitscherig gedicht. 't Is een patent voorbeeld, niet van wat poëzie is, maar van wat door veel mensen onder poëzie wordt verstaan - verdriet vol tranen, de bevlogen ik die poseert als geringe slaaf, terborstige taal.

Een oud man staat op van zijn café-kruk, duwt zijn alpinopet recht, veegt wat druppels uit zijn snor en declameert met dubbele tong, maar nog deksels maatvast, Ik, kleine slaaf etcetera met succes ten einde uit, waarna iedereen in het etablissement applaudisseert en roept: 'Bravo, opa!'

Zo'n gedicht.

Toch heb ik een zwak voor dit betraand zigeunerkindje. Waarom? Door de eerste regel dus, die in niemand van ons de solipsist onberoerd laat. Door de ik, die ook een ik is die laat zien hoe acceptabel en, nog meer, hoe effectief een volstrekte ongrammaticaliteit in de poëzie kan zijn. Door het kanon en het dubbele klinken die van de moedermond bijna een vuurmond maken. Door het viermaal herhaalde rijm en de uitgestelde positie die het woord Transvaal zo'n magische glans verlenen. Door het abrupte afkappen in de slotregel - dood en dood, alsof de dichter-bohémien de glazen met een even keizerlijk gebaar als waarmee hij inzette weer van de tafel veegt en wil zeggen: ik heb geen zin meer in zulk subtiel onderscheid als tussen poëzie en taal, als tussen melk en brood. Daarom. En omdat het op feestjes en partijen zo declameerbaar is.