Hutu's in de greep van de angst

NYAKIZU, 27 APRIL. Angstig gluurt de jonge Hutu-vrouw door de spleet tussen de kerkdeuren. Eerst durft ze niet naar buiten te komen, maar mijn blanke gezicht stelt haar gerust en ze opent de deuren. Achter haar staan ongeveer vijftig Hutu's. Zij zijn smerig en hongerig.

Twee dagen geleden kwamen ze hier aan, in hun vroegere woonplaats Nyakizu, na hun gedwongen vertrek uit het kamp Kibeho in Zuidwest-Rwanda. Daar hadden zij hun toevlucht gezocht, uit angst voor vergelding na de genocide op de Tutsi's. Maar hun woningen blijken nu te zijn ingenomen door Tutsi's afkomstig uit Burundi. “We zijn bang, want de oorlog in Rwanda is niet afgelopen zolang we thuis niet veilig zijn”, zegt de vrouw.

Angst. Iedere Hutu die na het bloedbad van vorige week in Kibeho door het regeringsleger naar zijn woongebied terugkeerde, spreekt over angst. Angst voor het door Tutsi's gedomineerde regeringsleger, het RPA, en angst voor reacties van plaatselijke bewoners. Daarom hebben deze teruggekeerde Hutu's bescherming gezocht in de kerk van Nyakizu, dezelfde kerk waar vorig jaar leden van Hutu-milities honderden Tutsi's vermoordden.

Nu zijn Hutu's het slachtoffer. “Mijn twee broers waagden zich gisteren buiten het terrein van de kerk”, vertelt een man van middelbare leeftijd. “Nu zijn ze verdwenen.” Er verschijnt een RPA-soldaat in de verte. De deuren gaan onmiddellijk dicht en ik sta voor een gesloten kerk. De RPA-soldaat snauwt en jaagt me weg.

Bij het gemeentehuis van Nyakizu vertelt assistent-burgemeester Ferdinand Nkurayija dat sinds de sluiting van Kibeho ruim 18.000 Hutu's zijn aangekomen. “Er bestaat geen reden voor ze om bang te zijn”, zegt hij. “We hebben hier niemand gedood. Sommige ontheemden verscheurden al hun geld. Waarom? Ze zijn ervan overtuigd dat het RPA hen doodt en ze zijn bang dat hun geld op die manier in de handen van hun vijanden valt. We horen dat vele Hutu's nu naar Burundi vluchten.”

Voor het gemeentehuis levert een vrachtauto van een internationale hulporganisatie een nieuwe groep uit Kibeho af. Een oude man begint te vertellen hoe de RPA-soldaten vorige week het bloedbad in Kibeho aanrichtten en hem dwongen te vertrekken. Als er een RPA-soldaat achter hem verschijnt, slaat hij direct een andere toon aan: “Oh, ik ben zo blij uit Kibeho naar huis te mogen terugkeren.”

Verbazing verschijnt op het gezicht van de RPA-militair. Hij lijkt even te aarzelen. Dan besluit hij de oude man te arresteren, die wordt afgevoerd naar een donkere ruimte waar hij niet de enige gevangene blijkt te zijn.

Pag.4: 'Maar wraak nemen, ach dat lost niets op'

Uit talrijke gemeenten waar kampbewoners terugkeren komen berichten over arrestaties. Maar assistent-burgemeester Ferdinand Nkurayija ontkent dat er in Nyakizu arrestaties plaatshebben. “Plaatselijke bewoners komen teruggekeerde Hutu's beschuldigen van deelname aan de genocide van vorig jaar tegen de Tutsi's”, vertelt hij. “We schrijven hun namen op en zullen later een onderzoek instellen. We vertellen iedereen in de gemeente het hoofd koel te houden”.

Op een klein paadje dat zich door een bos bananeplanten slingert buiten Nyakizu ontmoeten twee oude heren elkaar. De een is een Tutsi. Zijn vrouw en drie kinderen werden vorig jaar vermoord in de kerk van Nyakizu. Hij bleef alleen achter in zijn woning. De ander is een Hutu. Hij vluchtte na de moord op de Tutsi's naar Kibeho. Bij het bloedbad daar vorige week verloor hij zijn echtgenote en twee kinderen. De oude heren schudden elkaar de hand. “Waarom ben je niet veel eerder teruggekeerd”, vraagt de Tutsi. “Je bent even oud als ik en te oud om met kapmessen tegen Tutsi's te vechten.” De oude Hutu zucht. “Ik voelde me ziek. En er deden zoveel geruchten in het kamp de ronde dat we zouden worden gedood als we naar huis terugkeerden.” De Tutsi geeft hem nogmaals een hand. “Jíj bent onschuldig, dat weet ik, maar velen van degenen die nu terugkomen, zijn moordenaars.” Zij besluiten samen verder te lopen.

Verderop de weg buiten Nyakizu dwaalt een groepje Hutu-vrouwen en kinderen. “We durven niet terug naar onze huizen, zelfs als onze woningen er nog staan en er geen andere mensen in wonen”, zegt Bernadetta. Nerveus knoopt de jonge vrouw steeds weer de doek waarin haar kindje op haar rug hangt, los en vast. “We zijn bang voor het RPA, maar nog meer voor reacties van burgers”, zegt ze.

Op honderd meter afstand staan twee Tutsi-mannen zwijgend toe te kijken. De 65-jarige Ernest Ruzibukira schudt zijn hoofd. “Onze vermoorde familieleden zullen nooit meer terugkeren”, murmelt hij. Wil hij geen wraak nemen op de Hutu's? “Ik heb moordenaars herkend tussen degenen die terugkwamen. Maar wraak nemen, ach dat is moeilijk. Bovendien, het lost niets op.”

Niet alle Rwandese burgers denken er zo over. In het regionale ziekenhuis van Butare zijn de afgelopen 24 uur talrijke nieuwe gewonden uit Zuid-Rwanda binnengebracht. Het zijn mensen die juist uit Kibeho naar hun woonplaatsen waren teruggekomen. Zij hebben verse wonden, in de laatste twee dagen toegebracht met stokken, stenen en kapmessen. Kennelijk nemen nu de Tutsi's op hen wraak.