Doden gehandicapte baby onbestraft

ALKMAAR, 27 APRIL. De gynaecoloog H. Prins is gistermiddag door de rechtbank in Alkmaar ontslagen van rechtsvervolging voor de moord op een zeer ernstig gehandicapte baby. Tegen de arts was schuldigverklaring zonder oplegging van straf geëist.

Het vonnis maakt het mogelijk om het leven van pasgeborenen actief te beëindigen, zoals Prins, gynaecoloog in het Waterlandziekenhuis in Purmerend, dat in maart 1993 heeft gedaan. Dat kan echter uitsluitend als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van uitzichtloos, ondraaglijk en niet weg te nemen lijden dat niet, dan wel niet op medische zinvolle wijze kan worden verzacht. De voorbereiding, beslissing en uitvoering moet zorgvuldig gebeuren en het handelen van de arts moet beantwoorden aan wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht. Baby's mogen alleen gedood worden op uitdrukkelijk, herhaald en consistent verlangen van de betrokken ouders.

Volgens het vonnis heeft de 49-jarige Prins zich aan al deze criteria gehouden en als gevolg daarvan kon hij zich daarmee op een straffeloze noodtoestand beroepen. De rechtbank sprak zijn waardering uit voor de moed en integriteit van Prins. Hij was de eerste arts die werd vervolgd voor het doden van een patiënt die niet in staat was zijn wil kenbaar te maken.

De baby was geboren met een waterhoofd, een open ruggetje, nauwelijks ontwikkelde hersenen, een dwarslaesie en misvormde voetjes en beentjes. Prins had een neuroloog en een neurochirurg geraadpleegd en handelde met instemming van de ouders, die het meisje niet onnodig en onaanvaardbaar wilden laten lijden. Het kind had nooit kunnen lopen en zou permanent pijn hebben geleden. Uit diagnose was gebleken dat zij maximaal nog een jaar te leven had, als “een slapend plantje”.

Het Openbaar Ministerie eiste twee weken geleden schuldigverklaring om aan te geven dat artsen niet actief het leven mogen beëindigen van baby's die zich niet in de stervensfase bevinden. Een straf achtte het OM echter niet passend omdat Prins zorgvuldig had gehandeld. Binnen veertien dagen beslist de officier van justitie of hij tegen de uitspraak in beroep gaat.

Rechtbankpresident mr. B. Posch gaat ervan uit dat hoger beroep volgt. “Wij wensen u sterkte en moed op de lange weg die u langs allerlei rechtscolleges zal moeten volgen”, zei hij tegen Prins, die erg opgelucht op het vonnis reageerde. Hij noemde de uitspraak voor de beroepsgroep “een hoopgevend houvast”.

Volgens de advocaat van Prins, mr. E. Sutorius, zullen artsen door deze uitspraak opener worden bij het aangeven van dergelijke zaken. “Justitie zal hen dan, wanneer ze zich hebben gehouden aan de criteria, waarschijnlijk niet vervolgen. Er is nu de duidelijkheid die nodig was voor artsen over de toelaatbaarheid van medische beslissingen om niet te behandelen danwel actief een leven terug te geven aan de dood. In deze tijd, waarin de natuur niet meer selecteert, maar de arts een groot instrumentarium heeft om over het leven te beslissen, is deze uitspraak geweldig belangrijk.”

De zaak kwam voor de rechter op initiatief van minister Sorgdrager (justitie). Eerder was de vergadering van procureurs-generaal, na de melding door Prins van dit geval van een niet-natuurlijke dood, tot de conclusie gekomen dat de arts zorgvuldig gehandeld had en daarom niet vervolgd hoefde te worden. Sorgdrager wilde echter jurisprudentie uitlokken, omdat in de regelgeving over euthanasie sprake is van een uitdrukkelijke wens van de patiënt. Pasgeborenen kunnen die wens niet uiten.

Het CDA heeft er in Kamervragen bij de ministers Borst (volksgezondheid) en Sorgdrager (justitie) op aangedrongen dat zij garanderen dat de bescherming van de rechtspositie van wilsonbekwamen onder alle omstandigheden verzekerd blijft. De partij wil ook weten hoe de bewindslieden dit gaan regelen, zo blijkt uit de schriftelijke vragen die het Tweede-Kamerlid Van der Burg gisteren naar aanleiding van de zaak-Prins heeft gesteld.

Van der Burg wil van Borst en Sorgdrager weten of zij de opvatting delen van de officier van justitie, die van mening was dat artsen niet actief het leven mogen beeïndigen van gehandicapte pasgeborenen die zich in de stervensfase bevinden. Het CDA-Kamerlid wil ook graag van de ministers horen of zij gaan bevorderen dat het openbaar ministerie hoger beroep gaat aantekenen. Als dit niet gebeurt, wil Van der Burg weten waarom de bewindslieden daar van afzien.