De wig en de armoedeval

OP HET OOG is het een saaie technische kwestie, maar het onderwerp heeft een explosieve politieke lading. In het kabinet bestaat een principieel meningsverschil dat de komende dagen moet worden bijgelegd. Twee ministers, Zalm (VVD, financiën) en Melkert (PvdA, sociale zaken), staan lijnrecht tegenover elkaar en een van de twee zal moeten inbinden. Economisch gezond verstand en politiek prestige botsen met elkaar.

Het onderwerp is de 'marginale wig'. Dit begrip vergt voor niet-ingewijden in de complicaties van het sociaal-economische jargon enige uitleg. De wig is het verschil tussen het bruto en netto inkomen, het verschil tussen wat het een werkgever kost om iemand in dienst te hebben en wat de werknemer hiervan rechtsonder op zijn loonstrookje terugvindt. Bij de marginale wig gaat het om het bedrag dat overblijft van iedere extra verdiende gulden. Wie bijvoorbeeld in het hoogste belastingtarief zit, betaalt over een extra verdiende gulden zestig cent aan belastingen en houdt veertig cent over. De marginale wig bedraagt dan zestig procent.

Het conflict spitst zich toe op de kabinetsplannen voor verlichting van de werkgeverslasten in 1996. Minister van sociale zaken Melkert heeft in een vraaggesprek met het weekblad Elsevier (18 februari) en nader uitgewerkt in een college op de Erasmus universiteit (16 maart) voorgesteld deze verlaging van de werkgeverslasten te concentreren om werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt goedkoper te maken. Melkert wilde vanaf het bruto minimumloon tot 130 procent van het bruto minimumloon een glijdende schaal van lagere werkgeverslasten.

Dat oogt socialer dan algemene lastenverlichting waarvan ook de grote, winstgevende ondernemingen profiteren. Het lijkt ook een prachtig idee. De werkloosheid concentreert zich immers aan de onderkant van de arbeidsmarkt en als daar de bruto loonkosten verlaagd worden, zullen werkgevers eerder bereid zijn meer mensen in dienst te nemen.

Een soortgelijk voorstel lag vorig jaar ook al ter tafel bij de kabinetsformatie. De onderhandelaars van PvdA, VVD en D66 zagen er veel in - totdat het Centraal Planbureau er een vernietigend oordeel over gaf. Het plan verdween van de formatietafel. Want wat bleek: met zo'n gerichte verlaging van de werkgeverslasten aan de onderkant wordt het weliswaar goedkoper om iemand tegen het minimumloon aan te nemen, maar het wordt vervolgens zeer veel duurder om zo'n minimumloner een loonsverhoging te geven. Met andere woorden: de marginale wig gaat steil omhoog. Zozeer, dat afhankelijk van de technische uitwerking van iedere extra gulden bruto loon zelfs meer dan een gulden netto verloren kan gaan.

De directeur van het Planbureau was toen Gerrit Zalm, die vervolgens als minister van financiën in het kabinet-Kok kwam. In het kabinet ontpopte Zalm zich opnieuw als tegenstander van vergroting van de marginale wig.

In het Nederlandse sociaal-economische bouwwerk doet het probleem van de marginale wig zich op talloze plaatsen voor, omdat veel subsidies inkomensgebonden zijn. Gaat het inkomen iets omhoog, dan vervalt een subsidie en daardoor kan het besteedbare inkomen zelfs achteruitgaan. Zoals onlangs ook bleek bij de kortstondige politieke ruzie over de huren voor lage inkomens en de individuele huursubsidie.

ZALM IS VAN MENING dat deze armoedeval verkleind moet worden. Maar als het plan-Melkert doorgang vindt, gaat de armoedeval nog wijder open en zou de marginale wig voor de minima in Nederland groter worden dan die is voor miljonairs. Het argument dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt de mobiliteit zo gering is dat die minimumloners toch niet doorstromen naar een iets hogere inkomenscategorie, is zonder praktische ervaring ook onbewezen.

Lastenverlichting en wigverkleining, om het sociaal-economische taalgebruik nog even aan te houden, zijn in Nederland over de hele linie gewenst om de arbeidsmarkt beter te laten functioneren. Als dat uitsluitend gericht wordt op de onderkant van de arbeidsmarkt, is economisch gezien sprake van een prikkel voor mensen om te berusten in een inkomen op of net boven het minimumloon. Met recht maakte Zalm hiervan als CPB-directeur een principieel punt en is hij in zijn huidige functie gewoon politiek consequent.