De verantwoordelijkheid van de historicus

De K.L.Poll-Stichting voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap organiseert dit jaar een interessante serie lezingen over de verantwoordelijkheden van de beoefenaars van diverse beroepen: de arts, de journalist, de rechter, de technoloog en anderen. Uiteraard kan men in zo'n reeks niet alle beroepen behandelen. Voor een van de niet-besproken professies wil ik hier echter de aandacht vragen, namelijk voor de historicus.

Het beroep van historicus brengt vele verantwoordelijkheden met zich mee. Het is niet moeilijk hier voorbeelden van te geven. Zo werden de historici onlangs bijvoorbeeld opgeroepen, om niet te zeggen gemobiliseerd, voor een nationaal debat over de dekolonisatie van Indonesië. Die discussie wordt onder historici echter al jarenlang gevoerd en de historici blijken zich van hun verantwoordelijkheid in deze dus zeer wel bewust te zijn.

De dekolonisatie is slechts een van de kwesties uit het recente verleden waarover door historici uitvoerig is gedebatteerd. Vaak hielden die kwesties verband met de Tweede Wereldoorlog. Menten, Aantjes en Weinreb waren spectaculaire voorbeelden van zulke kwesties. Historici speelden in al deze affaires een hoofdrol en namen grote verantwoordelijkheden op zich. Met name een historicus als L. de Jong aarzelde niet zijn verantwoordelijkheid te nemen. Misschien kan men zelfs wel zeggen dat hij die opzocht. Hij genoot kennelijk van zijn rol van morele leidsman en ongenaakbare wachter bij de boom van kennis van goed en kwaad. In de zaak-Aantjes ging hij hierin wel erg ver, te ver naar mijn smaak. Natuurlijk was het niet onjuist dat De Jong de antirevolutionaire bergredenaar met zijn eigenaardige gedrag in de oorlogsjaren en daarna confronteerde. De fout was dat het verschil tussen een historisch oordeel en een publieke veroordeling hier uit het oog werd verloren. Heel anders ging het toe bij het onderzoek in de kwesties Menten en Weinreb. Daar verrichtten gerenommeerde historici en juristen gedegen, zorgvuldig en langdurig onderzoek naar de precieze toedracht en presenteerden zij hun bevindingen op kalme en nuchtere wijze. Hun rapporten waren dan ook volstrekt overtuigend, maar ze kregen weinig aandacht omdat de conclusies niet spectaculair waren.

Nu waren dit allemaal incidenten die voortkwamen uit de actualiteit. De meeste historici hebben met dit soort zaken weinig te maken. Maar ook in meer algemene zin draagt de historicus een grote verantwoordelijkheid. Hij behoedt de erfenis van het verleden. Hij ontsluit dat verleden door bronnenpublikaties, beschrijft het in boeken en artikelen en presenteert er een beeld van aan het publiek. Hij onderwijst de jeugd en vormt daarmee het historisch bewustzijn en de historische inzichten, op grond waarvan mensen in hun verdere leven blijven handelen.

De Franse historicus Gabriel Hanotaux had een zeer verheven opvatting van de verantwoordelijkheid van de historicus. Hij was zijn carrière als een gewone beroepshistoricus begonnen met uitvoerig archiefonderzoek naar de Franse geschiedenis van de zeventiende eeuw en schreef daar geleerde studies over. Kort daarna kwam hij door toevallige omstandigheden in de politiek terecht. Dat duurde niet erg lang, maar na die tijd kon hij in puur historische arbeid geen bevrediging meer vinden. Hij beschouwde zijn vak steeds meer als een morele roeping. Het werk van de historicus was volgens hem van beslissend belang voor zijn land. Van de manier waarop hij het verleden presenteert, hangt het namelijk af of de zaken in de toekomst goed of fout zullen gaan. De historicus moet zijn volk leiden op de weg van het verleden naar de toekomst.

Dit is een opvatting die thans verouderd aandoet. Deze vorm van nationalisme en deze hoge toon zijn de hedendaagse historici vreemd. Maar er zijn nog steeds tal van historici die hun taak vooral zien als het dienen van een bepaalde zaak: de wereldvrede, de vrouwenemancipatie, de verheffing der gekleurde volkeren, of wat dan ook.

Men zou dit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de historicus kunnen noemen. Het is stellig de meest bekende vorm van verantwoordelijkheid. Er zijn er echter meer. De Belgische historicus Jean Stengers onderscheidde in een interessante beschouwing over dit onderwerp zelfs vier soorten verantwoordelijkheid: de strafrechtelijke, de civielrechtelijke, de morele en de maatschappelijke. Dat een historicus zich strafrechtelijk moet verantwoorden komt zelden voor, behalve in totalitaire regimes. In de Sovjet-Unie bijvoorbeeld werden in 1930 en 1931 honderddertig historici op grond van hun geschriften gearresteerd. Tegenwoordig is het vooral in islamitische landen oppassen voor de historicus. In sommige Europese landen is overigens de ontkenning van de jodenvervolging een strafbaar feit. Het valt te begrijpen dat zo'n bepaling gemaakt is, maar men raakt hiermee al gauw op een hellend vlak. Moet de ontkenning van de misdaden van Stalin en Mao Zedong dan ook strafbaar worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Civielrechtelijke verantwoordelijkheid bestaat in zoverre als men een historicus aansprakelijk kan stellen voor schade, toegebracht aan de reputatie of goede naam van iemand uit het verleden. Dit kan ver gaan. Stengers noemt het voorbeeld van de kleindochter van George Sand die schadevergoeding heeft geëist van de auteur van een boek over het liefdesleven van haar grootmoeder. Tevergeefs overigens. Er bestaan meer van dergelijke gevallen.

Hiernaast is er de morele verantwoordelijkheid, de beroepsethiek van de historicus om zo te zeggen. Deze bestaat er volgens Stengers vooral in zich fatsoenlijk te gedragen: niet de vertrouwelijkheid schenden, personen respecteren, maar anderzijds ook weer niet bang zijn de waarheid te spreken uit angst voor onaangename reacties of problemen.

De meest bekende en volgens velen de meest belangrijke vorm van verantwoordelijkheid is echter degene waarmee wij begonnen, de sociale. Vroeger zag de historicus zijn werk vaak als een dienst aan het vaderland. De Leidse historicus P.J. Blok zei dat het schrijven van zijn grote Geschiedenis van het Nederlandse volk voor hem 'een waarlijk nationale opgave en een bron van onbeschrijfelijk genot' was geweest. Tegenwoordig zijn andere zaken in trek: de vrede, de mensenrechten, de Europese eenheid, de Derde wereld. Hier is niets op tegen. Het is nu eenmaal onvermijdelijk dat ook de historicus door de idealen die in een bepaalde tijd leven wordt geïnspireerd. Hij mag hierbij echter zijn belangrijkste verantwoordelijkheid niet uit het oog verliezen. Die bestaat niet uit het dienen van een bepaalde zaak, maar uit het in stand houden van oordeelsvermogen en kritische zin. In een wereld waarin de kritische zin voortdurend door slogans en simplificaties wordt bedreigd, is dat de belangrijkste taak van de historicus. Paradoxaal genoeg kan men dus zeggen dat juist de niet maatschappelijk geëngageerde historicus zich het meest bewust is van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid.