De paus bestrijdt de dood, maar hij negeert biologische principes

Niets dan lof voor de paus in zijn strijd tegen de 'cultuur van de dood' vindt John Habgood. Eén punt doet afbreuk aan Evangelium vitae: De paus gaat uit van verkeerde aannames over het leven.

Een van de taken van een moreel gezagsdrager is grenzen te trekken die niet mogen worden overschreden. Een andere taak is onderscheid te maken tussen dingen die van elkaar verschillen. In zijn jongste encycliek Evangelium vitae toont de paus zich beter in het vervullen van de eerste dan van de tweede taak.

Als krachtig pleidooi voor het Evangelie van het leven tegen wat hij noemt 'de cultuur van de dood' dient de encycliek een nobel streven. Er kan onmogelijk worden getwijfeld aan de oprechtheid of de ernst waarmee de paus zich ten doel heeft gesteld om met alle mogelijke middelen de gevaren waaraan de heiligheid van het leven in de huidige wereld blootstaat te bestrijden. Hij heeft toch waarachtig gelijk wanneer hij, bij herhaling, stelt dat de bescherming van het menselijk leven, en dan vooral het leven in zijn kwetsbaarste vormen, niet slechts een christelijke imperatief is maar de wezenlijke morele grondslag vormt van elke waarlijk menselijke samenleving.

Maar zijn uitwerking van dat standpunt is zorgwekkend. Bestaat er echt geen ethisch onderscheid tussen anticonceptie, onderzoek op embryo's, abortus, de doodstraf en euthanasie, zodat ze alle onder één noemer mogen worden gebracht: 'de cultuur van de dood'? Biologisch gezien zijn er twee zeer verschillende kwesties aan de orde, dus de eerste vraag van de criticus moet luiden: hoe serieus neemt de paus de biologie?

Enige waarde hecht hij er blijkbaar wel aan. Hij gebruikt zelfs de verplichting van de mens “de in hun persoon opgetekende biologische wetten te respecteren” om zijn voorkeur voor natuurlijke anticonceptiemethoden te motiveren. Maar als de moraaltheologie rekening houdt met de biologie, dan zal ze in elk geval enige aandacht moeten besteden aan een van de meest fundamentele biologische principes, dat van de geleidelijke verandering. In de wereld van de biologie bestaan slechts weinig scherpe scheidslijnen. Het een ontwikkelt zich tot of vergroeit met het ander. Zelfs het leven zelf is moeilijk te definiëren, en de precieze grens tussen levenloze stof en levend organisme is tot op zekere hoogte arbitrair. Hetzelfde geldt a fortiori voor de overgang van voormenselijk tot menselijk leven in de geschiedenis van de evolutie.

Wanneer hij zich voor zijn beschrijving van het menselijk leven uitsluitend baseert op bijbels materiaal, spreekt hij getrouw vanuit de traditionele christelijke leer. “Het leven dat God de mens geeft, is geheel anders dan het leven van alle overige levende wezens, aangezien de mens, hoewel gevormd uit het stof der aarde, een manifestatie van God in de wereld is, een teken van Zijn aanwezigheid, een spoor van Zijn majesteit.” Als uitspraak over de actuele rol die menselijke wezens vervullen, strookt de theologische bewering met een biologische opvatting van de oorsprong der mensheid. Maar waar het ons om gaat is de vraag of de biologische opvatting voor de paus ook tot het integrale beeld behoort. Is er bijvoorbeeld een ogenblik in de prehistorie geweest waarop het menselijk leven zijn unieke waarde en betekenis verkreeg? Of kunnen we ons zo iets denken als een geleidelijke groei van bepaalde menselijke eigenschappen, misschien gelijktijdig met de de geleidelijke groei van de hersenen en de menselijke taal?

Dit verschil is niet slechts theoretisch, want het geleidelijkheidsprincipe in de evolutie vindt zijn pendant in de geleidelijke ontwikkeling van het embryo. Het absolutistische betoog tegen abortus en onderzoek op embryo's berust op de veronderstelling dat het menselijk wezen, in een tamelijk universele zin van het woord, begint op het ogenblik van de bevruchting. De paus erkent een zekere twijfel aan deze veronderstelling, maar pareert die met de uitspraak: “Louter de waarschijnlijkheid dat het om een menselijke persoon gaat, is voldoende reden voor een volstrekt duidelijk verbod op iedere ingreep gericht op het doden van een menselijk wezen.”

Maar stel nu eens dat er niet eens meer een 'louter een waarschijnlijkheid' bestaat, in die zin dat deze uitspraak eenvoudig niet te rijmen valt met wat er inmiddels bekend is over de vroegste stadia van de embryonale ontwikkeling? Het betoog waarmee de bewering wordt verdedigd berust op een dubbelzinnig gebruik van het woord 'menselijk'. De paus stelt dat er iets nieuws wordt gevormd op het ogenblik van de bevruchting en voegt daaraan toe: “Het zou nooit menselijk kunnen worden als het niet reeds menselijk was.”

Nu, er is veel dat menselijk is. Onze genetische structuur is menselijk. Elke cel in ons lichaam is menselijk. Maar waar het hier om gaat is het bestaan van 'een nieuwe mens' en daarvoor is op zijn allerminst nodig dat er identificeerbare cellen zijn die straks die mens gaan onderscheiden van alle andere voortbrengselen van een bevruchtingsproces.

De biologische geleidelijkheid doet de scherpe grenzen die de encycliek tracht te trekken vervagen, en hoewel men enerzijds volledig kan meevoelen met het alles overheersende verlangen van de paus om het leven te beschermen, is het anderzijds van belang in te zien dat dat niet kan zonder te negeren wat er bekend is over de aard van het leven. Hoe ver de paus bereid is te gaan blijkt uit zijn categorische afwijzing van omstandigheden waaronder abortus eventueel toelaatbaar zou zijn, zelfs om het leven van de moeder te redden. De gedachte dat er in sommige gevallen een keuze tussen twee kwaden zou moeten zijn, moet wijken voor de ongenuanceerde uitspraak: “Geen enkele omstandigheid, geen doel en geen wet kan ooit het plegen van een daad veroorloven die intrinsiek ongeoorloofd is.” Dat is wel heel ver verwijderd van handelen op basis van 'louter waarschijnlijkheid'.

Bij de behandeling van euthanasie staat de encycliek veel sterker. De veronderstelling die aan deze discussie ten grondslag ligt, namelijk dat eenmaal geboren menselijk leven niet opzettelijk mag worden gedood, zal in sommige gevallen wel lastige definiërings-problemen opwerpen, maar het beginsel wordt terecht beschouwd als de grondslag van recht en moraal. De stellingname van de paus tegen de buitensporige aanspraken van persoonlijke autonomie, het geloof dat menselijke wezens met hun eigen lichaam mogen doen wat ze willen, berust op zijn eerdere analyse van de vrijheid in Veritatis Splendor, en is in mijn ogen van fundamenteel belang. Maar zelfs hier worden bepaalde moeilijke kwesties niet ter hand genomen.

Net zoals het leven niet gemakkelijk te definiëren is, is ook de dood tegenwoordig vaag omlijnd. De vaagheid doet zich het sterkst gelden in de duurzame vegetatieve toestand van het langdurige coma, waarover de encycliek zwijgt. Toch stelt het langdurige coma ons voor een zeer ernstige vraag. Hoeveel van een menselijk lichaam moet er dood zijn voordat kan worden gezegd dat de mens dood is? Orgaantransplantatie, eveneens niet genoemd in de encycliek, stelt geen andere eis dan de dood van de hersenstam. Het zou interessant zijn te vernemen hoe de paus deze conclusie en alles wat daar in de moderne geneeskunde uit voortvloeit, ziet in het licht van wat de encycliek impliciet stelt over, bij voorbeeld, de abortus van acefale embryo's (waarbij geen hoofd tot ontwikkeling komt).

Kritiek als deze moet niet worden beschouwd als bedoeld om afbreuk te doen aan de algemene betoogkracht van Evangelium vitae. In een wereld die erop uit is het leven te manipuleren naar het haar uitkomt dienen deze dingen te worden gezegd. Maar om te worden gehoord moeten ze tevens worden gebaseerd op een meer gedegen biologisch inzicht.