De ecotourist als wereldredder

Vrijwel overal in de tropen verdwijnen bossen en andere kwetsbare gebieden. Meestal is het resultaat kaalslag en erosie. Twee Amsterdamse vegetatiekundigen doen suggesties voor herstel. Ecotoerisme vormt hierbij een sleutelrol.

Maarten Kappelle, Ecology of Mature and Recovering Talamancan Montane Quercus Forests, Costa Rica. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. 24 maart 1995

Robert Hofstede, Effects of Burning and Grazing on a Colombian Páramo Ecosystem, Proefschrift Universiteit van Amsterdam 13 april 1995

De tropische nevelwouden in de bergen van Costa Rica kennen een uitzonderlijk rijke flora en fauna. Het bijzondere ervan is dat er behalve tropische soorten ook veel soorten voorkomen uit de gematigde streken. De ligging van Costa Rica, op de landbrug tussen twee continenten, is daarvan de oorzaak.

Tijdens de ijstijden, toen de temperaturen daalden, verhuisden plante- en diersoorten uit de gematigde breedten naar de tropen en vanuit de berggebieden naar de laaglanden. Toen de temperaturen later weer stegen trokken deze soorten zich terug in de bergen. Zo ontstond er in de Costaricaanse nevelwouden een mengeling van geïmmigreerde gematigde en lokaal ontstane tropische soorten. Naast palmen, ficussen en magnolia's staan eiken, elzen en bramen; panters en poema's delen het bos met eekhoorns; kolibries, toekans en quetzals kregen gezelschap van mussen en duiven.

Maarten Kapelle van het Hugo de Vries-laboratorium (UvA) heeft zich de afgelopen jaren beziggehouden met de eikenbossen die zich op 2000 tot 3200 meter boven de zeespiegel bevinden in het Talamancagebergte en vaak in nevelen gehuld zijn. Grote delen daarvan zijn inmiddels gekapt sinds de Amerikanen vlak na de Tweede Wereldoorlog begonnen met de aanleg van de Panamerican Highway. Zij legden daarmee het gebied open voor kolonisten. Ze kapten de eikenbossen en gebruikten het hout als bouwhout of voor de produktie van wijnvaten en houtskool. De ontboste percelen werden daarna in gebruik genomen voor akkerbouw of veeteelt.

Kapelle deed onderzoek naar het herstel van het nevelwoud na deze ontbossing. Daarvoor zocht hij een gebied uit waar zich verschillende soorten nevelwoud bevinden: bossen die zijn aangetast, zich herstellen of nog ongeschonden zijn. Ze worden afgewisseld met weilanden, akkers en boomgaarden.

In het herstelproces zijn enkele stadia te onderscheiden. Als een boer een stuk landbouwgrond opgeeft, verschijnen eerst allerlei algemene kruiden zoals weegbree, zuring, vrouwenmantel en ereprijs. Daarna koloniseren grotere planten zoals de adelaarsvaren, nachtschade en hulst het stuk grond. Deze planten trekken allerlei tropische vogels aan zoals de quetzal, de legendarische groenrode vogel met zijn twee lange staartveren. Deze werden vroeger gebruikt in ceremonies ter ere van de Azteekse godheid Quetzalcoatl. De vogels zorgen voor de zaadverspreiding van soorten die later gaan domineren.

Vervolgens schieten er heide-achtige struiken, fuchsia's en verwanten van de koffiestruik op en bomen als de laurier. Ook verschijnen klimplanten zoals een liaanachtig familielid van 'onze' tuinhortensia en de passiebloem. Na twintig tot dertig jaar keren in grote aantallen de eiken terug die het oorspronkelijke nevelwoud domineren. Met de andere planten moeten zij de strijd om licht, ruimte en voedingsstoffen aanbinden. Slechts enkele eiken groeien uit tot woudreuzen van veertig, vijftig meter hoogte. Op de takken daarvan nestelen zich ten slotte de epyfitische bromelia's, orchideeën, varens en mossen.

In het gunstigste geval duurt het 75 jaar voordat tachtig procent van de planten is teruggekeerd. De terugkeer van de epifytische planten duurt nog enkele decennia langer. Natuurlijke regeneratie is volgens Kappelle een haalbare kaart als het nevelwoud daarvoor de kans krijgt. Het is ook goedkoper en ecologisch meer verantwoord dan de gangbare herbebossing met cypressen, dennen en eucalyptus.

Natuurlijke regeneratie is een mooie optie, maar onhaalbaar als de lokale bevolking er qua inkomen bij inschiet. Maar volgens Kappelle hebben deze secundaire bossen een groot economisch potentieel. Ze kunnen brand- en timmerhout leveren, de kwetsbare bodem tegen erosie beschermen en de kans op overstromingen in de aangrenzende lagergelegen gebieden verminderen. Het duurt echter wel tien tot twintig jaar voordat er brandhout geoogst kan worden en twintig tot dertig jaar voordat het bos behoorlijk timmerhout levert.

Waar natuurlijke regeneratie niet haalbaar is, kan agroforestry ontwikkeld worden. Van Kappelle beveelt een combinatie van 'inheemse' elzen met wilde bramen aan: de eerste voor de houtproduktie, de tweede voor de bereiding van vruchtensap en jam. Ook zouden de secundaire bossen verrijkt kunnen worden met inheemse avocadosoorten. Die maken de bossen aantrekkelijker voor vogels als de quetzal. Daardoor kan ook het ecotoerisme, Costa Rica's snelstgroeiende bron van inkomsten, aan belang winnen. De meeste ecotoeristen die naar Costa Rica komen zijn vogelliefhebbers en die willen quetzals en kolibries zien. De meeste ecotoeristen maken een jungle tour door het Monteverde Cloud Forest Reserve in het noorden van Costa Rica waar de toeristendruk groot is. Het Talamancagebergte in het zuiden, dat op twee uur rijden van de hoofdstad San José ligt, zou een goed alternatief kunnen worden.

Ecotoerisme wordt steeds vaker genoemd als middel om bedreigde ecosystemen in de tropen te redden. Ook Peter Hofstede, eveneens van het Amsterdamse Hugo de Vries-laboratorium, oppert het als een mogelijkheid, ditmaal om de páramo in Colombia te behouden. Dit ecosysteem van koude, natte graslanden bevindt zich boven de bosgrens die in Colombia op ongeveer 3.800 meter ligt. De vegetatie is voor een grasland spectaculair en uniek. De bodem is bedekt met een hoge kruidlaag van grote graspollen die een bruine kleur hebben door het vele dode blad. Ver daarbovenuit, op soms metershoge stammen, torenen de stamrozetten. Ze hebben een kroon van zilvergrijze bladeren op een dikke kraag van afgestorven blad. Ze worden wel vergeleken met rijen monniken - als de páramo in mist gehuld is, veranderen de stamrozetten in mysterieuze gestalten.

De verspreid liggende páramos hebben een groot waterbergend vermogen en vormen de basis van het hydrologisch systeem in de noordelijke Andes. Voor de energie- en drinkwatervoorziening van steden als Bogota, Medellin en Quito zijn deze graslanden van groot belang. In 1992 werd Colombia geconfronteerd met de gevolgen van het slechte beheer ervan. Maandenlang werd de elektriciteit enkele uren per dag afgesloten vanwege het lage peil van de stuwmeren. Door de begrazing en het afbranden van de páramos was het hydrologisch systeem ernstig verstoord.

Hofstede heeft onderzoek gedaan naar de effecten van die begrazing en het afbranden. Het bijzondere van de páramo is dat de biomassa van de vegetatie groter is dan in elk andere type grasland, terwijl de groei zeer traag is. Om hun groeipunten tegen de lage temperaturen en de extreme intensiteit van het licht te beschermen, houden de planten veel dood blad vast. Dat maakt de páramo niet erg geschikt voor veeteelt want het vee kan moeilijk bij de jonge spruiten. Daarom branden de boeren de graslanden af. Het dode blad verdwijnt en het vee kan de jonge loten eten. Door het afbranden en de begrazing valt echter de bescherming tegen vorst en UV-straling weg. De natuurlijke grassoorten en stamrozetten verdwijnen en maken plaats voor grassoorten die beter tegen begrazing kunnen, maar minder biomassa hebben. Daardoor droogt de bodem sneller uit en neemt het waterbergend vermogen af.

Elders in de wereld leidt afbranden vaak tot het versneld vrijkomen van nutriënten en een groeispurt van het gras. Volgens Hofstede is dat in de páramo niet het geval omdat de vrijkomende voedingsstoffen meteen vastgelegd worden door fixatie aan niet-verweerd vulkanisch moedermateriaal en dus niet ten goede komt aan de planten. Afbranden heeft dus weinig zin, ook al oogt de vegetatie door het verdwijnen van het dode materiaal korte tijd groener.

Volgens Hofstede is er geen beheersregime denkbaar waarbij zowel de hydrologische bufferfunctie behouden wordt als veeteelt mogelijk is. Omdat stopzetting van de veeteelt onrealistisch is, moet deze geconcentreerd worden in enkele vlakke gebieden.

Maar dit is alleen mogelijk als het vegetatiedek wordt vervangen. De bodem moet bedekt blijven, er mag niet gebrand worden en er moet veel (kunst)mest van buiten het gebied worden aangevoerd om het verlies van nutriënten te compenseren.

Hofstede ziet het ecotoerisme als mogelijke aanjager. De spectaculaire landschappen in de Andes komen steeds meer in trek bij buitenlandse toeristen. Zij boeken dure reizen en willen graag 'de wildernis ervaren'. Onnatuurlijke elementen als runderen, hekken en weilanden zouden zij storend vinden. In soortenrijkdom, waterbergend vermogen en bodembescherming zouden ze niet geïnteresseerd zijn. Wel in ongeschonden, ruige landschappen. Als een majestueuze stamrozet meer blijkt op te brengen dan een koe, zou het toerisme de redding kunnen worden van de páramos.

Zowel Kappelle als Hofstede gaan uitgebreid in op biologische processen en doen op basis daarvan aanbevelingen voor meer duurzaam grondgebruik. Op de vraag hoe de bevolking daartoe gebracht kan worden, gaan ze echter nauwelijks in. Dat is hun niet kwalijk te nemen, maar het maakt wel de beperkingen duidelijk van de natuurwetenschappelijke benadering van milieuproblemen. De oorzaak van de aantasting van de nevelwouden en nevelgraslanden ligt in demografische en economische processen. Daar liggen ook de oplossingen, maar die processen zijn moeilijk gericht te beïnvloeden.

Neem het ecotoerisme. Hoe zorg je dat er voldoende toeristen naar de nevelwouden en de páramos komen? Hoe bereik je dat de lokale bevolking er brood in ziet, er wat aan verdient en niet de touroperators met de winst gaan strijken? Hoe structureel is toerisme als inkomstenbron? En hoe ecologisch verantwoord is ecotoerisme, gezien de verre vliegreizen die ermee gepaard gaan?