Bloemetjes en biezen voor de betere burgerij; Nederland heeft weer een porseleinkast

Oerdegelijk, saai - en geen cent teveel, zo wenste de Nederlander zijn servies. Maar de tijden veranderen; men wil schelpen, ankertjes en zeilboten langs de randen, gouden vleugeltjes en handbeschilderde klimopranken op ragdunne 'bone china'. En het ideaal is àlles, maar dan ook àlles van hetzelfde.

Het tafelservies was even buiten beeld geraakt - zoals na de oorlog wel met meer attributen van de burgerlijke cultuur is gebeurd. Natuurlijk, de handel in porselein lag niet stil, en de huwelijkslijst bestond wel, hier en daar. Maar het was iets voor beperkte kringen, bolwerken van conservatisme. In de gewone wereld was porselein verdrongen door aardewerk en Pyrex, en deed zelfs de ordinaire pan voortdurend pogingen om 'tafelfähig' te worden. Het was al heel wat als iemand met zes dezelfde borden de tafel dekte. Maar de laatste jaren is het servies nadrukkelijk weer terug.

'Stijlvol' heeft weer terrein gewonnen op 'sfeervol'. 'Bruid & Bruidegom Magazine' biedt dozijnen adressen waar aanstaande echtparen met hun wenslijsten terecht kunnen. Winkels in 'tafelcultuur' hebben behalve eetgerei ook damasten servetten en kleden in huis, iets waarvoor je tot voor kort de adressen moest wéten. En als Lord Wedgwood in de Bijenkorf zijn eigen serviesgoed komt signeren, zoals vorige maand, staan de liefhebbers in de rij.

Het bezit van een compleet porseleinen servies was voor de oorlog nog een luxe die aan weinigen was voorbehouden. Wie tot die bevoorrechte groep behoorde, had er meestal ook niet zo'n klein beetje van. Met een dinerservies moest je de tafel kunnen dekken voor minimaal twaalf personen (vierentwintig was gebruikelijker), wat zeker driemaal dat aantal borden betekent. Vaak was er meer dan één servies in huis. Zo hoefde een beginnend huishouden niet per se alles nieuw te krijgen, want in een deel van de behoefte kon worden voorzien uit de familievoorraad.

Een van de weinige winkels waar huwelijkslijsten al sinds jaar en dag bestaan is Focke & Meltzer, met een dozijn vestigingen in welgestelde winkelstraten overal in het land. Helaas is de dame die mij in Amsterdam te woord staat even beleefd als vaag: wat de bestverkopende serviezen zijn, of hoeveel lijsten er gemiddeld openstaan kan zij niet zeggen. Dat is allemaal 'heel persoonlijk', zegt zij keer op keer.

Alleen mijn veronderstelling dat er wel veel vraag naar Wedgwood zal zijn beaamt zij volmondig, en zij voegt er roekeloos aan toe: “Wij proberen de mensen altijd een beetje weg te sturen van dat Wedgwood.”

Die opmerking is misschien niet taktisch, maar wel begrijpelijk. Sterker nog, afgeven op Wedgwood lijkt welhaast bon ton te zijn in de serviezenwereld. Terwijl het merk nog steeds loopt als een trein, heeft het de status bereikt van 'ouwe getrouwe', om het vriendelijk uit te drukken. Het ontwerp Edme, met zijn herkenbare ribbeltje, al dan niet voorzien van bloemetjes of klimop, is in de duffe jaren zeventig en tachtig bij de levensstijl van de betere burgerij gaan horen zoals de Burberry en de Volvo.

Het typeert de Nederlandse tafelcultuur dat dat geijkte Edme-servies van aardewerk is. Hard en sterk aardewerk weliswaar, bij Wedgwood 'Queen's Ware' genaamd - maar het is geen porselein, en naar verhouding goedkoop. Een Edme-bord kost nog geen twee tientjes. Wedgwood heeft ook serviezen in elegant 'bone china' die drie à vier keer zo duur zijn. Terwijl de omzet van het bedrijf in Engeland voor 70 procent in het porselein zit en voor 30 procent in aardewerk, is de verhouding in Nederland omgekeerd. Oerdegelijk, saai - en geen cent teveel, zo wenst de Nederlander nu eenmaal zijn servies.

Maar de tijden veranderen, en de belangstelling voor het luxueuzere werk stijgt. Focke & Meltzer heeft sinds kort serviezen van echt 'bone china' die onder de eigen naam worden verkocht. De allengs ontdooiende verkoopster vertelt dat Four Sea, een ontwerp met schelpen, ankertjes en zeilboten langs de randen, nogal eens wordt gekocht om aan boord van privé-jachten dienst te doen. Desgewenst wordt het monogram van de kapitein op de borden aangebracht, al is dat natuurlijk niet bij de prijs inbegrepen. Een 23-delig Four Sea-tafelservies (zes platte, zes diepe en zes kleine borden, een sauskom en vier schalen) kost ƒ 1050.

Ruim duizend gulden voor drieëntwintig delen is naar moderne maatstaven nog niet veel. Duur is pas Meissner porselein, waarvan eenzelfde combinatie meer dan tienduizend gulden kost. Of Herend uit Hongarije, een oude manufactuur die het communisme heeft doorstaan en sinds de bevrijding jaarlijks duurder wordt. Herend heeft uitsluitend handgeschilderde, traditionele decors, en er hangt nog steeds een waas van exclusiviteit omheen.

Het bewijs dat ook daar vraag naar is, wordt geleverd op de bovenste verdieping bij Focke & Meltzer. Daar staan kleine uitstallinkjes met serviesstukken van vier of vijf bruidslijsten, compleet met de naamkaartjes van de gelukkige paren erbij. Een adellijk echtpaar-in-spe heeft zijn zinnen op het groene Herend gezet.

En dat is weer een heel ander type 'duur' dan het excentrieke Rosenthal-servies Mythos, met decoraties van modeontwerper Gianni Versace. Dat vliegt nog veel harder de winkel uit. “Mensen kijken nauwelijks hoe het er uit ziet, ze kopen het gewoon op de naam.” Een theekopje van Mythos, dat heel toepasselijk een gouden vleugeltje heeft, kost ƒ 250.

Alles van hetzelfde, zo luidt het ideaal van de hedendaagse servieskoper. Borden, schalen en kopjes, sauskom, botervloot en eierdoppen - allemaal met precies hetzelfde gezellige klimoprankje of elegante blauwgouden biesje. Alles op die ene Mooiste Dag binnengehaald: mijnheer en mevrouw Pieterse gaven twee dessertbordjes, tante Mien een hele theepot. En natuurlijk moet elk onderdeel los te bestellen zijn, zodat het paar tot in lengte van dagen kan blijven genieten van dat gezellige klimoprankje, of elegante blauwgouden biesje.

Mijn grootmoeder zou gek opgekeken hebben van het idee om haar vriendinnen koffie te schenken uit kopjes met dezelfde Rosenthal-bloemen als de borden waarvan 's avonds werd gegeten. Een theepot die er net zo uitzag als haar juskommen zou zij onbegrijpelijk, zo niet onsmakelijk hebben gevonden.

Lord Piers Wedgwood, die als een aimabele goodwill-ambassadeur de wereld afreist om de afzet van het gelijknamige serviesgoed te bevorderen (en die met goudkleurige inkt en veel routine bordjes signeert), bevestigt de krampachtige hang naar 'co-ordinated': in Engeland heb je dat ook. Het is volgens hem in de jaren zeventig ontstaan, en geboren uit onzekerheid. Ook uit materiële beperkingen trouwens, want als je niet zo veel serviesgoed hebt is het handig als de taartschoteltjes van de ochtendkoffie 's avonds als 'side plates' dienst kunnen doen. Maar jammer is het wel, die eenvormigheid.

Ook elders wordt de hang naar eenvormigheid van harte betreurd - en naar vermogen bestreden.

In de schilderachtige Hofstede De Witte Swaen, bij Montfoort, drijven de vriendinnen Marie Wansink en Erna van der Eng een winkel in tweedehands serviezen en ander tafelgerei. In hun lichte schuur staan tientallen soorten borden, terrines, kopjes en glazen, van meer dan honderd tot twintig à dertig jaar oud, op aanlokkelijke wijze uitgestald.

“Het is voor klanten vaak een enorm bezwaar,” zegt Marie Wansink, “als er geen bijpassende kopjes of schalen zijn bij een eetservies dat zij mooi vinden. Die kopjes zijn er vaak ook helemaal nooit geweest. Wij proberen dan iets in een verwant dessin te vinden. Het is vaak juist mooi om een zekere afwisseling te hebben; wie echt durft, dekt de tafel zelfs met twee types borden, om en om.”

De eisen die mensen aan serviezen stellen, veranderen met de tijd. Terwijl kopjes tegenwoordig dus gewenst zijn, is de vraag naar dekschalen gering, en die naar soepterrines vrijwel nihil. De meeste terrines worden voor bloemstukken gebruikt, iets waar de verkopers natuurlijk geen enkel bezwaar tegen hebben.

Wat is nu een mooi servies? De allermooiste zijn onbetaalbaar, of onbereikbaar. In de eetkeuken van de dames Wansink en Van der Eng staat een Provençaals servies, beschilderd met vogels, bloemen en blaadjes, dat een van de bekoorlijkste is van alle serviezen die ik tot dan toe ben tegengekomen. Niet te koop natuurlijk: wie zoiets moois heeft wil het houden. Het is een oud servies van Moustier, de vormen zijn een beetje grillig, en de kleuren teer lichtgroen met blauw en geel. Later zie ik dat de Franse fabrikant Gien een servies heeft dat er veel op lijkt, en niet toevallig 'Oiseau de Paradis' heet; alleen de kleuren zijn wat feller.

De voorkeur voor het landelijke blijk ik gemeen te hebben met veel Nederlandse serviezenkopers. Zo is bij Metz en Fleur de Lys, een winkel in 'tafelcultuur' in Amsterdam-Zuid, veel vraag naar het Franse Gien. Een Gien-ontwerp als Volupté is uitbundig beschilderd met clematis, pioenrozen en blauwe druifjes. Zes verleidelijke taartbordjes in een doos kosten ƒ 294, een theekopje erbij ƒ 91.

Bij Fleur de Lys valt mijn oog op iets beeldschoons met veel geel, een streepje groen en een lijntje rood. Het blijkt afkomstig van een Noorditaliaanse porseleinfabriek, die net als Rörstrand en zoveel andere klinkende namen, is gesticht in de achttiende eeuw: Ginori. Het ontwerp heet Impero Mistral. De eigenaresse van Fleur de Lys vertelt eerlijk dat Gien wel harder loopt - het scheelt natuurlijk ook of een bord ƒ 55 of ƒ 120 kost.

Een andere rijzende ster aan het serviezenfirmament is Ostindia van de Zweedse firma Rörstrand. Het is een ontwerp uit 1932, waarmee nu opnieuw aan de weg wordt getimmerd. Kenners zeggen (hoe kan het ook anders) dat het oude Ostindia, dat van aardewerk was en niet van porselein, nog veel mooier was. Het blauwe bloemdecor op bleekblauw fond is geïnspireerd op oud Chinees porselein, en het minieme roodbruine lijntje langs de randen geeft er iets ongrijpbaar authentieks aan.

Het lijkt overigens een internationale trend om servies te versieren met meer dan een enkel friemeltje. Brede banden, zelfs hele gekleurde vlakken zijn mode. Impero Mistral is een voorbeeld, maar ook het eerder genoemde Volupté (Gien), en de Rosenthal-decors van Versace hebben het, en sommige ontwerpen van Christofle, een Parijse bestekfabrikant die tegenwoordig ook op de serviezenmarkt te vinden is.

Serviezen kosten wat de gek ervoor geeft. Bij Chinese winkels zijn voor spotprijzen serviezen te koop, in zeegroen celadon of met het traditionele rijstkorrel-decor, waarvoor geen mens zich zou hoeven schamen. Zij zijn heel wat verfijnder dan wat bij Ikea en Blokker doosgewijs de deur uit gaat als 'startsets'. Maar dat is, toegegeven, nog verbijsterender van prijs.

Toch zijn bij Blokker, dat opereert aan het brede voeteneind van de serviezenmarkt, ook echo's van de trends en modes aan het hoofdeind te vinden. Wie het hoofdkantoor belt voor wat inlichtingen, krijgt haastige mannen aan de telefoon die nauwelijks tijd hebben om vragen te beantwoorden: hier moeten spullen verkocht worden, geen praatjes. Maar de prijzen zijn laag.

Blokkers paradepaardje is een servies van de Duitse firma Winterling Marktleuthen, Imperial Blue. Voor lekenogen vertoont het veel overeenkomst met porselein van Wedgwood, bijvoorbeeld Colorado met zijn hoge, bolle belijning en deftige bies langs de rand (moeilijk te maken, vertrouwt Blokkers serviezenexpert mij toe). Imperial Blue wordt 31-delig verkocht, inclusief theeservies, voor ƒ 695. Het is van gewoon porselein, wat natuurlijk iets anders is dan Wedgwoods 'bone china'. Maar voor een Colorado-servies van dezelfde samenstelling moet dan ook het tienvoudige worden betaald.

Het meestgevraagde servies bij Blokker van dit ogenblik, Briar Rose van Churchill, is gebloemd en erg Engels. De prijs van 31 delen is ƒ 299. Wie de theekopjes niet zou willen is weinig minder kwijt, want anders dan bij de dure zaken is hier een set voordeliger dan losse delen.

Zelfs tussen de losse kop-en-schotels in de propvolle Blokkerwinkel staan porseleinen kopjes die sterk doen denken aan de trendy serviezen van nu. Een daarvan is Arabesque, bedrukt met een brede band in blauw, groen of rood met gele krullen er in. De stukprijs: ƒ 8,95. Nog goedkoper, en niet minder modieus zijn aardewerken borden met gele rand en smal blauw biesje. De Italiaanse fabrikant Quadrifoglio maakt ze, Blokker verkoopt ze voor ƒ 2,95. Ach, je moet de adresjes weten te vinden, nietwaar.

Aardewerk wordt bij lagere temperaturen gebakken en is poreuzer dan porselein. De betere soorten, zoals Wedgwoods Queen's Ware, zijn van fijnere kleisoorten en harder dan de goedkope.

Bone China Beenderporselein, enigszins transparant en naar een ivoorkleur neigend, is dunner dan gewoon porselein. Bevat beendermeel van runderen, waardoor het bij een lagere temperatuur gebakken kan worden.

Bruidslijst (huwelijkslijst) De verlanglijst van een aanstaand echtpaar (serviesgoed, glas, bestek etcetera), te raadplegen bij een winkel van hun keus die zorg draagt voor verpakking en levering, zodat de gever desnoods met een telefoontje kan volstaan.

Serviezenbank Wie ontbrekende delen zoekt van een niet meer leverbaar servies, of een oud servies van de hand wil doen, kan terecht bij de Serviezenbank, 035-400433.

Teema (Modern jaren '50) Haaks op alle trends, maar veel verkocht: Teema, van de Finse fabrikant Arabia. De strakke vormen van effen geel, blauw of groen geglazuurd aardewerk zijn een ontwerp van Kaj Franck uit 1948. In de jaren vijftig was dit servies, toen Kilta geheten, de 'dernier cri' in moderne design. Nu wordt het uit nostalgie gekocht door de kinderen van de kopers van toen.

Tweedehands serviezen Hofstede de Witte Swaen, Achthoven West 10, 3417 BW Montfoort, 03484-75448.

Boerenbont Het overbekende Hollandse aardewerkservies (tegenwoordig gemaakt door de Belgische fabrikant Boch) wordt in zijn bestaan bedreigd. Bij de chique serviezenwinkels haalt men er de neus voor op, en Blokker voert het nog wel - maar niet van harte. Boerenbont is te duur voor zijn nederige imago: een bord kost ƒ 15,95 en een dekschaal ƒ 79,50. Voor dat geld is al deftig ogend porselein te koop. Zal er een haan naar kraaien, als een van de allerlaatste Nederlandse tradities op serviezengebied verdwijnt?