Whitney Museum in VS toont vooral 'lekkere' kunst; Weezoet geurende matrassen besmeurd met chocoladecake

Tentoonstelling: Whitney Bienniale 1995 Whitney Museum of American Art, Madison Avenue bij 75th Street. T/m 4 juni. Inl. 00 1212 570 3600. Catalogus: $35. Deze herfst zal de Whitney Biennale ook te zien zijn in het nieuwe Museum voor Moderne Kunst in Praag.

Sinds 1932 heeft het Whitney Museum of American Art in New York - eerst met jaarlijkse en later met tweejaarlijkse tentoonstellingen - zich de taak toegemeten antwoord te geven op de vraag: Wat is de trend in de beeldende kunst in de Verenigde Staten, met name in New York en ook Los Angeles. Met die traditie gaat een andere, net zo lange traditie samen: het afkraken van de Whitney Biennale.

In 1993 bereikte de Biennale haar hoogtepunt, met de door curator Elizabeth Sussman ingerichte tentoonsteling over politiek correcte kunst. Het was één van de drukst bezochte tentoonstellingen van het museum in de laatste tien jaar. Meer dan het signaleren van een trend, hielp deze biënnale zelfs het einde ervan versnellen. Want deze kunst-met-een-nadruk- kelijke-boodschap is nu bijna geheel uit de Newyorkse galeries verdwenen.

Met de benoeming van Klaus Kertess tot de samensteller van de Biennale van dit jaar heeft het Whitney bewust minder zijn nek uitgestoken. Kertess, schrijver en voormalig galeriehouder, staat bekend om zijn voorliefde voor schilderkunst, het medium dat, overwoekerd door installaties, een paar jaar geleden op sterven na dood werd verklaard . Zesentwintig van de nu getoonde 54 kunstenaars zijn dan ook schilders; in '93 waren het er niet meer dan zeven. Bovendien heeft Kertess de lijst der uitverkorenen maanden vantevoren bekendgemaakt, zodat met het onvermijdelijke gemor al vroeg kon worden afgerekend.

De Whitney Bienniale 1995 is dus geen verrassing, positief noch negatief. Het beste kan zij begrepen worden aan de hand van het werk van Sue Williams, een van de weinige veteranen uit 1993. Op haar schilderijen wordt op cartooneske wijze de oorlog tussen de geslachten beslecht. Twee jaar geleden werden die doeken nog begeleid door een plak plastic kots op de vloer. Nu is haar ijle tekenstijl op een lichte achtergrond bijna abstract en ingetogen; er valt eerder een verwantschap te ontdekken met de poëtische Cy Twombly dan met de sensatiebeluste 'Bad Girls'.

'Beauty' en 'metafoor' zijn de termen waardoor Kertess zich heeft laten leiden. Wat hij met 'metafoor' bedoelt, wordt nergens duidelijk - het is zo alles omvattend dat het nietszeggend is. 'Beauty' moet eerder vertaald worden met 'lekker' dan met 'schoonheid'. 'Lekker' in de zin van visueel aantrekkelijk, sensueel soms, mooi van verfhuid.

Het aardigste en verrassende van de opstelling is, dat het werk over drie verdiepingen verspreid, drie vormen van 'lekker' vertegenwoordigt. Een voorspel, een naspel en wat ik maar een middenspel zal noemen, want zo lekker dat het tot een hoogtepunt komt, is het nou ook weer niet.

De bovenste verdieping wordt gedomineerd door abstract werkende kunstenaars bij wie het gaat om het fysieke van het werk: de huid, of de geste. Men vindt er de kalligrafie van Brice Marden bijvoorbeeld, de perfecte decoratiekunst van Philip Taaffe. Ook grote meesters als Twombly en Serra kregen hier een plaatsje; de eerste met een bepaald matig drieluik en Serra met een vijf ton wegende, ijzeren en pretentieus aandoende 'schoorsteenmantel'.

Het 'lekker' van de tweede verdieping lijkt op dat van de vierde, behalve dat het meer gesublimeerd is, meer vergeestelijkt, dus minder nadruk op de verfhuid. Ook hier overheerst de abstractie, met Robert Ryman en Agnes Martin in de rol van godfather/godmother.

Op de derde verdieping wordt het begrip 'lekker' veel explicieter uitgespeeld: lekker vulgair, lekker pervers. Het is een kermisterrein, zelfs de weezoete geur ontbreekt niet, afkomstig van Nancy Rubins tros van circa 250 opgevouwen matrassen die besmeurd zijn met chocoladecake. Veel schilderijen hebben een cartoonachtige stijl, van de Underground Comics van Peter Saul, tot het magisch realisme van Julio Galan. Op een tekening van Nicole Eisenman, naar een schilderij van Vincent van Gogh waarop zijn slaapkamertje staat afgebeeld, speelt zich een orgie met alleen vrouwelijke deelnemers af.

De duidelijkste metafoor bevindt zich in het souterain, waar Nicole Eisenman (1963) een geestige muurschildering maakte. Zij beeldde zichzelf af gezeten op een stellage, rustig bezig aan een muurschildering, terwijl om haar heen de rampendienst bezig is doden en gewonden uit het puin te halen van een ingestort Whitney Museum. De titel luidt Self-Portrait with Exploded Whitney.

De Whitney Biennale is eigenlijk niet meer relevant. De gedachte dat deze presentatie voor de beeldende kunst echt een trendmeter kan zijn, is - zelfs nu voor het eerst binnen het begrip 'Amerikaans' ook ruimte is gemaakt voor enkele Canadese en Mexicaanse kunstenaars - te provinciaals geworden.