Weinig samenhang in sprookjesballet

Produktie: La Bayadère. Gezien 3/4, Amsterdam, Carré, van het Balletgeschap Musa Dshalil uit Tartazan in de choreografie van Marius Petipa. En 23/4, Utrecht, Central Studios, van de Red Notes Compagnie in de choreografie van Andy Degroat.

In het kader van het Utrechtse Springdance Festival toonde het gezelschap Red Notes het sprookjesballet La Bayadere in de versie van zijn artistiek leider Andy Degroat, een al jaren in Frankrijk werkende choreograaf. Degroat heeft een voorliefde voor de bewerking van 'klassiekers'. Hij zette al Het Zwanenmeer naar zijn hand, en Giselle, en in december brengt hij ook een eigen versie van De Notenkraker uit.

Het verhaal van de Indiase krijger Solor, die trouw zweert aan de tempeldanseres (Bayadére) Nikiya, vormde de basis waarop Marius Petipa in 1877 het grootse sprookjesballet La Bayadére creerde. Zoals destijds gebruikelijk ligt in de eerste helft van het avondvullende werk het accent op theatrale effecten, op simpele groepsdansen en gestileerde mime-scenes die de verhaallijn aangeven. Pas in de tweede helft komt het vaak zeer virtuoze danswerk aan bod. Slechts enkele van die rijk aangeklede en een groot aantal dansers vragende sprookjesballetten overleefden de tand des tijds, niet alleen vanwege de hoge produktiekosten, maar ook omdat de uitgesponnen mime-scènes uit de gratie raakten. Buiten Rusland werd van La Bayadère eigenlijk alleen de vierde acte bekend, waarin Solor in een droom het schimmenrijk wordt binnengevoerd en daar zijn door een rivale vermoorde Nikiya terug vindt. Door de briljante soli en duetten en het uiterst preciese, danstechnisch zeer lastige aandeel van het corps de ballet, wordt die vierde acte tot de hogeschool van de klassieke balletkunst gerekend.

Pas de laatste decennia is het complete ballet ook door enkele grote balletgezelschappen in het Westen op het repertoire genomen, maar de nogal ingewikkelde intrige - er is ook nog een jaloerse priester in het spel en een onheilspellende fakir - en de choreografisch oninteressante eerste twee actes maken La Bayadére geen echte publieksfavoriet.

In tegenstelling tot velen vond ik Degroat's hier negen jaar geleden in Springdance uitgevoerde Zwanenmeer niet leuk of interessant en ook nu kan ik niet begrijpen waarom Springdance deze produktie naar Nederland haalde. Het is een ratjetoe aan losse scènes met een onduidelijke verhaallijn, gezet op een mengelmoes van composities. De Indiase oorsprong wordt aangegeven door de invoeging van enkele op de traditionele Indiase dans gebaseerde soli en groepsdansen. Uiteraard wordt er op blote voeten gedanst ook al komt het overgrote deel van de gebruikte bewegingen overduidelijk uit de klassieke school. Maar de uitvoerenden ontbreekt het aan de voor zulke bewegingen noodzakelijke zuiverheid van lijn, aan precisie en verfijnde stijl. Toegegeven, de Central Studios vormen niet de echt geschikte accommodatie voor dergelijke theatrale produkties en het is voor een gezelschap heel vervelend als middenin de geluidsinstallatie het begeeft. Maar zelfs de fraaiste schouwburg had niet kunnen verbloemen dat Degroat's La Bayadère aan alle kanten rammelt. Choreografisch is er geen spoor van orginaliteit te zien, het is onflatteus aangekleed en pretentieus van bedoelingen, met het er bijslepen van Hiroshima, het eigentijdse Brussel of het futuristische Tokio van 2021. Wat mij betreft dan toch liever de 'ouderwetse' Bayadère, die in ieder geval historische waarde heeft en veel hoogwaardige dans in zich bergt.