Tevengebroed blinkt uit in geraffineerde gevoelloosheid; Een pantser voor de pijn

Voorstelling: Tevengebroed door Toneelschool Amsterdam. Tekst: naar Agota Kristof; regie: Bart Klever; decor: Catharina Scholten; spel: Daniël Boissevain, Casper Gimbrère, Ruben Lürsen, Martijn Nieuwerf. Gezien: 23/4 Verbeelding Purmerend. Tournee: 29/4 t/m 26/5.

De tweeling heeft geen naam. 'Tevengebroed' noemt grootmoeder de broers bij voorkeur. Het is een scheldnaam die hoort bij hun nieuwe bestaan, een bestaan waarin geen plaats is voor vriendelijkere benamingen. De oorlog heeft daaraan een eind gemaakt, zoals hij ook een eind heeft gemaakt aan het leven met Vader en Moeder in de Grote Stad. De tweeling woont nu bij de oude Heks, op het platteland.

Grootmoeder haat de jongens en dat laat ze merken ook. Haar slagen doen pijn, de verwensingen die ze hen naar het hoofd slingert niet minder. Om die pijn te kunnen verdragen begint de tweeling zich te harden: ze oefenen zich in gevoelloosheid. Ze doen dat zo grondig dat ze al gauw van gestaald pantser zijn: niets kan hen deren, niemand heeft nog langer vat op hen, zoals blijkt uit de voorstelling Tevengebroed, een afstudeerproject van vier studenten van de Amsterdamse Toneelschool.

Onder leiding van regisseur Bart Klever hebben de acteurs Het dikke schrift, de ijselijke roman van Agota Kristof die model heeft gestaan voor hun voorstelling, bewerkt tot een reeks snelle scènes die je bij tijd en wijle de rillingen over de rug jagen.

Hun aanpak is simpel, helder en doeltreffend. Met z'n vieren spelen ze in een vrijwel kaal decor vijftien rollen, waarbij ze in steeds wisselende duo's optreden als de tweeling. Andere personages, zoals de grootmoeder, de pastoor en Hazelip, het half debiele buurmeisje, hebben telkens een eigen vaste acteur. Vooral de manier waarop de grootmoeder als een kromme pook wordt neergezet is schitterend. Maar ook de overige figuren spreken tot de verbeelding, al gaat het nooit om uitgewerkte karakters maar om vlugge schetsen.

De speelstijl is daaraan aangepast. De acteurs gunnen zich weinig tijd en stappen steeds razendsnel over naar een volgende situatie, nu eens acterend, dan weer vertellend en soms aangevuld met a capella zang. Ze presenteren zich al met al met een souplesse en vanzelfsprekendheid die je doen vergeten dat ze pas heel kort ex-leerlingen van de toneelschool zijn.