Spanning hoog genoeg; Kamer eist snel bijleggen ruzie Turkije

DEN HAAG, 26 APRIL. De Tweede Kamer heeft de regering vanmorgen unaniem gevraagd het diplomatieke conflict met Turkije te deëscaleren.

Het conflict ontstond naar aanleiding van de oprichting van het Koerdisch parlement in ballingschap in Den Haag op 12 april. De regering moet er van de Kamer ook voor zorgen dat de spanningen binnen de Turkse en Koerdische gemeenschappen in Nederland niet oplopen.

Minister Van Mierlo (buitenlandse zaken) zegde toe dat hij een gesprek zal aangaan met de Turkse regering “maar dat hij er niet naartoe zal kruipen omdat er niets te kruipen valt”. Met nadruk werd minister Dijkstal (binnenlandse zaken) gevraagd een halt toe te roepen aan afpersingen van Turkse en Koerdische middenstanders in de grensstreek door vertegenwoordigers van extremistische facties.

De Kamer wil dat hij aangeeft hoe hij die klacht vanuit de Turkse en Koerdische gemeenschap en van de Turkse ambassade in Den Haag beantwoordt. Ziet de regering de PKK nu wel of niet als een terroristische organisatie met vertakkingen hier, zo was de vraag.

De Tweede Kamer steunde overigens vanochtend tijdens een algemeen overleg het gevoerde beleid van de regering ten aanzien van de Koerdische vergadering. Er waren ook volgens de Tweede Kamer geen mogelijkheden om de bijeenkomst van de Koerden te verbieden. Dat laat de grondwet niet toe. Het Kamerlid De Hoop Scheffer (CDA) vroeg zich af of het kabinet niet had kunnen overwegen om een uitspraak van de rechter te vragen door de burgemeester van Den Haag een aanwijzing te geven dat de openbare orde op de lange termijn wel degelijk aan de orde was.

VVD en CDA vonden het naïef van Buitenlandse Zaken om niet na de melding op het departement op 16 februari door een voormalige parlementariër van de Koerdische DEP-partij dat de oprichting van het parlement in Nederland zou gebeuren, zaken te inventariseren, overleg te voeren en maatregelen te overwegen. Daarmee was duidelijk tijd gewonnen.

De Turkse minister-president Çiller haalde gisteren opnieuw fel uit naar Nederland in verband met de oprichtingsvergadering in Den Haag van het Koerdische parlement in ballingschap. Volgens haar is het beroep van de Nederlandse regering op het grondwettelijke recht op vrijheid van vergadering in strijd met de internationale verplichting om terreur te bestrijden. Çiller: “De Nederlandse bevolking moet er rekening mee houden dat het in de toekomst de prijs zal moeten betalen voor de vermenging van de strijd tegen terreur met democratie.”