Maatschappelijke rol

Arme mijnheer Boerdam. Hem is groot onrecht aangedaan, want hij is ondanks zijn eerzame beroep 'meegesleurd naar de onderste sporten van de statusladder' - raadt u al welk beroep, na deze formulering? Socioloog is hij: als een geuzennaam staat het onder zijn stukje van zaterdag op de opiniepagina van deze krant. Maar in 'eigentijds gezelschap' durft hij zich nauwelijks meer als zodanig bekend te maken. Het is geen pretje, zo kan hij de lezer verzekeren, om een vaag soort medelijden te oogsten, of op kwaadaardige wijze te worden gebombardeerd tot de risée van de moderne geschiedenis. De enige manier om de lachers tot bedaren te brengen (die man moet werkelijk een heel gek gezicht trekken bij het onthullen van zijn beroep) is, te verklaren dat hij organisatie-socioloog is, met een verdomd aardige adviespraktijk.

Vernederend is het, jezelf en je vak zo te moeten verraden maar ja - de liberale markt, waar wij sinds kort mee zitten, stelt haar eigen normen en waarden, is de overtuiging van mijnheer Boerdam. Wie zich geen trajectbemiddelaar of case-manager noemt wordt door de paarse budgetbewakers wegbezuinigd.

Tot hier toe begrijp ik zijn betoog. Boerdam voelt zich opgelaten, heeft misschien wel omwille van vrouw en kind zijn trui verruild voor een net pak, en kan het niet laten daar zijn beklag over te doen.

Vervolgens blijkt dat hij lotgenoten heeft gevonden, mensen die het zo mogelijk nog moeilijker hebben in dit tijdsgewricht: kunstenaars, vooral beeldende kunstenaars. Verweesd, noemt hij hun beroep sinds het overlijden van het socialisme (waarmee hij geloof ik iets anders bedoelt dan het eind van het reëel existerende socialisme aan het andere eind van Europa). Dramatischer nog, het is volgens hem maar zeer de vraag of de beeldende kunst zich staande zal weten te houden nu de kunstenaar zo helemaal alleen, 'zonder overheid of ideologie', de markt op moet. Het is meteen armoe troef. Met het gevolg dat ook kunstenaars, net als hulpverleners en sociologen, allerlei nieuwe namen aan het verzinnen zijn voor hun kernactiviteit, zoals de socioloog het uitdrukt. Kunstenaars noemen zich beeldproducent of art consultant, maken aanbiedingsfolders en doen hun best om daar geen geur van verf en terpentijn uit te laten opstijgen. Alles wijst er op, schrijft Boerdam resumerend, dat de maatschappelijke rol van de kunstenaar is uitgespeeld.

En dat laatste begrijp ik niet.

Want wat voor de drommel en droes is nu toch de maatschappelijke rol van de kunstenaar, als het niet is dat hij meedoet aan de strijd om het bestaan, de markt op gaat en als een echte mijnheer of mevrouw aanbiedingsfolders opstuurt naar potentiële sponsors en wethouders voor kunst en cultuur?

Niet dat me dat zo fijn lijkt. Als ik kunstenaar was zou ik mij doodschamen om mij art consultant te noemen. Bijna alles deed ik liever dan een maatschappelijke rol te spelen. Bah. Zelfs zonder kunstenaar te zijn denk ik er al zo over.

Maar die maatschappelijke rol van de kunstenaar - waarover je trouwens wel vaker hoort - schijnt iets anders te zijn dan je op het eerste gezicht denkt. Mensen als Boerdam spreken er altijd over op ongeveer dezelfde toon als je wel hoort spreken over de smaak van onze tuinbouwprodukten, of de kunst van het brievenschrijven: vroeger was het volop aanwezig, maar tegenwoordig gaat het almaar bergafwaarts.

Veel aanwijzingen voor de inhoud van die zo wenselijke maatschappelijke rol zijn uit Boerdams artikel niet te destilleren. De meest concrete is deze: tien jaar geleden, schrijft hij, maakten kunstenaars nog 'uitbundige muurschilderingen in de belangrijkste kraakbolwerken in Nederland' - nu zijn zij naarstig op zoek naar sponsors. O landgenoten, welk een val was dat, of, in Boerdams woorden, wat een 'tragisch en weinig verheffend schouwspel'.

Muurschilderingen in kraakbolwerken. In een subcultuur waar tien jaar geleden iedereen al wist dat de activisten hun reuk van revolutionaire gezindte gebruikten om niet zoals gewone mensen op hun beurt te hoeven wachten bij het verdelen van woonruimte. Zouden veel van de kunstenaars die daar een artistieke heldenrol vervulden het verlies van die rol betreuren, anders dan zoals ieder mens rouwt om de vrolijke jaren van zijn jeugd?

Nog geheimzinniger is Boerdams verzuchting dat niemand meer zit te wachten op 's kunstenaars 'visie, zijn durf, zijn verbeelding (die magische eigenschap waarop in de jaren zeventig de hele sociaal-democratie blindvoer)'. Ach, l'imagination au pouvoir, dat was nog eens een mooie leus. Maar nooit heb ik geweten dat iemand gek genoeg was om daar blind op te varen. Den Uyl zelf misschien? Nieuw Links? Was de BKR een uiting van blindvaren op de artistieke verbeelding?

En nu zou het dus mooi zijn om die maatschappelijke rol in ere te herstellen. Dat geld daarbij hoort spreekt vanzelf, al krijg je de indruk dat voor Boerdam het ene geld het andere niet is. En natuurlijk heeft hij gelijk dat zestig procent van het bijstandsbedrag belachelijk weinig is.

Maar op de een of andere manier voel je dat geld niet genoeg is. Er moet weer respect komen voor de kunstenaar als ziener, als bevrijder, als - desnoods gebruiken we Nuis' woorden - zingever. Niet bij het aftasten van de armoedegrens, maar door nieuw licht te werpen op maatschappelijke vraagstukken. Kunstenaars tegen racisme bijvoorbeeld, of tegen geweld, of de consumptiemaatschappij, inclusief het verplichte aspergesteken. Adviesraden van kunstenaars bij alle ministeries, en in elk wethouderscollege een artiest.

Het doel is pas bereikt als we in de krant kunnen lezen: 'Geïnspireerd door Karel Appels decors voor de opera Noach heeft de staatssecretaris besloten tot een geheel nieuwe aanpak van de dijkverzwaringen in de Betuwe.' Dat zal pas leven zijn.