GINGER ROGERS 1911-1995; Brutaal en in beginsel deugdzaam

'A very effective performer' noemde Fred Astaire de danspartner met wie hij zijn grootste faam verwierf, de gisteren op 83-jarige leeftijd in een rusthuis in het Californische Rancho Mirage overleden Ginger Rogers. Zo zuinig als dat klinkt bedoelde Astaire zijn oordeel ook, want hij voegde eraan toe: “In het begin deed ze vaak alsof ze het kon, maar ze had talent. Ze werd steeds beter, zelfs zo dat na een tijdje ieder ander die met me danste verkeerd leek.”

Toen Astaire en Rogers aan elkaar gekoppeld werden door de RKO-studio, voor belangrijke bijrollen in de musical Flying Down to Rio (1933), was Mr. A, zoals ze hem zou blijven noemen, al een begrip in de danswereld, als de helft van een duo met zijn zuster Adele. Na het huwelijk van Adele met de Britse Lord Cavendish moest Fred een andere partner zoeken. De naam van Rogers, die een paar jaar eerder op Broadway les van Astaire had genomen, deed hem het ergste vrezen. De belangrijkste verdiensten van de voormalige charlestonkampioen van Texas waren immers enkele verschijningen in musicals van Busby Berkeley. In 42nd Street zingt ze in een treincoupé vol meisjes in nachtkleding 'When she knows as much as we know / She'll be on her way to Reno' en in Golddiggers of 1933 was ze het meisje dat tijdens het nummer 'We're in the money' van top tot teen overspoeld wordt met zilveren dollars.

De dadendrang en ambitie van Ginger Rogers, die geboren werd als Virginia McMath in een klein stadje in Missouri, had ze van haar moeder Lela. Die trok met haar dochter naar Hollywood en stortte zich bij gebrek aan eigen succes volledig op de carrière van GeeGee, die haar moeder LeeLee noemde. Gezamenlijk waren de beide tot de Christian Science-kerk behorende dames gevreesd in Hollywood. De jurk met veren, die Rogers in Top Hat draagt, op aandringen van haar moeder, bracht Astaire tot het met choreograaf Hermes Pan (op de wijs van 'Cheek to Cheek') gezongen spotlied: 'Feathers, I hate feathers/ And I hate them so that I can hardly speak'.

Het zou later goed komen tussen Ginger en Fred. Ze maakten samen tien films, waarvan de eerste acht (1933-1939) boven elke kritiek verheven zijn. Daarna vervolgde Rogers haar loopbaan als komisch actrice (begonnen in 1930 als 'flapper' in de film Young Man of Manhattan met de dialoogzin: 'Cigarette me, big boy!'), in gezellige werkjes als Vivacious Lady, Bachelor Mother, Tom, Dick and Harry en The Major and the Minor. Ze won zelfs een Oscar voor de titelrol in Kitty Foyle (1940). Rogers' filmtype lag niet ver af van wat ze zelf geweest moet zijn: energiek, brutaal, meer bijdehand dan intelligent, deugdzaam, maar door omstandigheden vaak gedwongen tot de zonde. Hoe zeer het geloof ook anders voorschreef, Ginger Rogers trouwde vijf keer - onder meer met Lew Ayres, de originele Dr. Kildare - en werd nog vaker verliefd. Volgens haar eigen memoires uit 1991 (Ginger: My Story) behoorden George Gershwin, Cary Grant, James Stewart en Howard Hughes tot de gelukkigen die ze haar gunsten schonk.

De laatste filmrol die Rogers speelde was die van de moeder van Jean Harlow in een filmbiografie uit 1965. Ze had daarna succes op Broadway (Hello Dolly!) en in Londen (Mame). In vele talkshows benadrukte ze de betekenis van 'positief denken' en haar geloof in traditionele Amerikaanse waarden. Lela bleef tot haar dood de loopbaan van haar dochter superviseren en was begin jaren vijftig een gretige getuige voor de House Comittee for Unamerican Activities. Over Ginger zei een theaterproducent, die haar in 1959 een hoofdrol gaf, dat ze een nachtmerrie was: “Ze kon haar tekst niet onthouden, ze kon niet zingen en, verrassend genoeg, ook niet dansen. Maar ze bleef maar glimlachen en grijnzen. Haar aantrekkingskracht voor het publiek valt niet te ontkennen. Dat maakt haar zo gevaarlijk, ze glimlachte me bijna naar een faillissement.”

Dat probleem had RKO niet. De zes films van die studio met Astaire en Rogers in de hoofdrollen worden nog steeds volop vertoond. Federico Fellini noemde in 1985 zijn film over twee bejaarde variété-artiesten Ginger e Fred (en niet omgekeerd). Volgens Woody Allen (in The Purple Rose of Cairo) draaien er in de hemel permanent films, waarin Fred en Ginger met elkaar dansen. En ruzie maken.