Gemeenschapsgevoel op Internet

Amsterdam lijkt een beetje op San Francisco 25 jaar geleden: er gebeurt veel, het is makkelijk mensen te ontmoeten, en er is veel community. Howard Rheingold, Internetgoeroe en auteur van het boek The Virtual Community (1993), is er met zijn gezin op vakantie en heeft het er naar zijn zin. Hier heb je nog echte community, in de Verenigde Staten is daar niet veel van over. Zelfs in San Francisco is het goeddeels weg. Mensen wonen in suburbs, werken in wolkenkrabbers. “Wij hebben de slag met de projectontwikkelaars verloren.” Daarmee verklaart hij de populariteit van het begrip virtual community in Amerika. Mensen vinden op het net wat ze in de flesh world niet meer vinden.

In de mogelijkheid relaties van velen tot velen aan te gaan, schuilt volgens hem de kracht van computernetwerken als nieuw medium. Daarmee kun je immers nieuwe gemeenschappen vormen, vertelde Rheingold gisteravond op een informele bijeenkomst in de Balie. We noemen alles wat via computers gaat wel virtueel, maar de gemeenschappen die zo ontstaan, zijn wel echt: er is betrokkenheid, er is roddel, er is machtstrijd, en na verloop van tijd ontstaan mythen en zelfs rituelen. Op Internet bestaan veel van die gemeenschappen, de een wat formeler georganiseerd dan de ander.

In Nederland schept De Digitale Stad in Amsterdam ruimte voor zo'n nieuw gemeenschapsleven. In navolging daarvan worden ook in andere plaatsen digitale steden opgericht. Maar ook enkele Nederlandse discussiefora, zoals nlnet.misc, hebben een zeker gemeenschapskarakter: het is een min of meer vaste groep mensen die boodschappen uitwisselt. Een deel van die boodschappen is voor iedereen te lezen, maar er wordt door de vaste deelnemers ook veel elektronische privépost uitgewisseld. Het lijkt op het leven rond de dorpspomp.

Juist degenen die Internet zien als een middel om een nieuw gemeenschapsleven vorm te geven, maken zich de laatste tijd zorgen. Internet groeit in een razend tempo, Internet vercommercialiseert. Nieuwe structuren op het net als het World Wide Web en nieuwe grafische bedieningsprgramma's maken het veel gemakkelijker om over het net rond te zwerven zonder allerlei esoterische commando's te kennen. Het is zo vriendelijk en makkelijk geworden dat veel nieuwe gebruikers niets anders meer doen dan een beetje bladeren en plaatjes kijken.

Van community komt zo weinig terecht. Wie alleen langswandelt behoort niet tot de gemeenschap, maar is alleen consument, toeschouwer. Rheingold denkt dan ook dat mensen daarop uitgekeken raken. “Mensen brengen geen dagen door op het Web, althans niet na een jaar.” Waaruit maar weer eens blijkt dat elke metafoor zijn beperkingen heeft. Het net is geen gemeenschap, maar biedt hoogstens de middelen om een gemeenschap te vormen. Het net is daarnaast een eindeloze etalage.

De programma's voor die etalagekant van het net zijn de laatste anderhalf jaar in veel hoger tempo vriendelijker en mooier geworden dan die voor de gemeenschapskant. Met de etalagekant denken allerlei bedrijven ook geld te kunnen verdienen. Steeds meer grote ondernemeningen openen hun eigen uitstalvenster op het Web: kijken, kijken, en misschien ooit kopen, maar praten ho maar.

Ook bij De Digitale Stad ziet men die ontwikkelingen met lede ogen aan, en er wordt met man en macht aan gewerkt om onderlinge communicatie grafisch net zo fraai en technisch net zo makkelijk te maken als etalages kijken op het Web. De netzappers leren praten, daar gaat het om. Pas dan kun je het nieuwe medium inzetten als forum voor menings- en beleidsvorming, en voor de vorming van nieuwe sociale structuren. In de flesh world word je geboren in een gemeenschap, op het net hoeft dat niet zo te zijn. Miljoenen lone riders zappen zich een ongeluk door de krochten van het net, zonder ergens bij te horen.