Föhn

Een stapje terug in de tijd: we vertrokken uit Nederland midden in de lente en arriveerden in Grindelwald bij het scheiden van de winter. Twee dagen tevoren was er nog een pak sneeuw gevallen en de voorgaande nacht waren de luiken bijna van het chalet gerukt door de föhn.

De loofbomen waren vreselijk kaal en in de wind voelde je de nabijheid van echte kou. In de schaduw van de noordwanden reikten lawineresten tot onderin het dal. Zelfs de zuidhellingen bij ons achter waren voor een groot deel onbegaanbaar - en op 1500 meter één tot anderhalve meter sneeuw.

Zo was het tenminste afgelopen zondag.

Het dooit.

Overal gutst water, overal sopt modder. Weilanden komen dor en vergeeld (en vergeven van de muizeholen) onder de sneeuw vandaan. Eén dag is genoeg om er een groenig waas overheen te leggen. En meteen ontluiken veldjes met wilde krokussen, van wit tot violet. Her en der bloeien smalle sleutelbloemen, en (waar het flink moerassig is) dotterbloemen, klein maar fel. Alles zindert. Alles bruist van levenslust. Zelfs de esdoorns staan na deze halve week al in een gloed van knoppen. Alles popelt. Alles rekent op een kort seizoen en is vervuld van haast.

En de koeien?

De koeien staan op stal. Maar de boeren zijn al in de weer met paaltjes en met draad, de afrasteringen worden al hersteld.