De Tweede Wereldoorlog was ook een nieuw begin

De herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog zijn nog altijd zwaar beladen met leed en schuld. Volgens E.H. Kossmann belemmert dit het zicht op de historische betekenis van deze periode. Door generaties na ons zal deze oorlog wellicht worden gehuldigd als een overwinning op boosaardige tirannie of als een beginpunt van allerlei wezenlijke emancipatie-processen.

Geschiedenis gaat over de dood. Hoe kunnen historici uit vrije wil zo monter en energiek blijven werken aan het onderhoud van dat steeds verder uitdijende kerkhof? Hoe verdragen ze in hun dagelijks werk de confrontatie met de menselijke zwakheid, de kortstondigheid van het menselijk leven, de vruchteloosheid van het menselijk streven, de voorbijgaande aard van menselijke grootheid en verdienste, de uiteindelijke ontbinding waartoe individuen, samenlevingen, culturen en staten overgaan? Hoe slagen ze erin dit ontmoedigend beeld zo onaangedaan onder ogen te zien?

We hebben allen onze eigen methode om de melancholie van ons vak te neutraliseren. Sommigen ontkennen dat het verleden onherroepelijk dood is; zij voelen zich in staat het nieuw leven in te blazen en aldus hun vluchtig heden te verrijken met levensechte indrukken van vroeger tijden. Laten we dit de verleden-gerichte werkwijze noemen.

Andere historici geven de voorkeur aan een meer utilitaire aanpak. Door de dwaasheden en de triomfen van onze voorvaderen te analyseren kunnen we lessen puren uit het verleden en ons als wijze mensen leren gedragen. Aan deze historici doet het verleden zich voor als het lijk in een snijkamer, waarbij de historicus de rol speelt van de ontleedkundige, wiens taak het is de doodsoorzaak vast te stellen en zo bij te dragen tot onze kennis van ziekten en de methoden om die te voorkomen.

Het valt moeilijk vast te stellen of dat zinvol is of niet, maar men moet goed beseffen welke vooronderstelling er aan dit soort pogingen ten grondslag ligt: de gedachte dat de menselijke aard nooit fundamenteel is veranderd; het grondpatroon van de menselijke reacties is altijd eender geweest. We kunnen dit dan ook de naturalistische werkwijze noemen.

Nog andere historici willen het verleden ertoe brengen ons een geheim te openbaren - geen les maar een boodschap. Voor hen is de geschiedenis niet een lijk dat men kan ontleden maar een rivier waarvan men de stroomrichting moet trachten te bepalen. Ik stel voor dit type geschiedschrijving heden-gericht te noemen. Het benadrukt dat geschiedenis verandering inhoudt, en dat niet alleen stijlen, technologieën, staatsvormen of economische omstandigheden veranderen, zoals iedereen kan zien, maar ook de menselijke natuur zelf.

Het tweede van de zojuist omschreven typen historisch denken, dat we naturalistisch hebben genoemd, is zo wezenlijk utilitair dat het zich naar verwachting de gelegenheid niet zal laten ontgaan de lessen die het uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog trekt concreet gestalte te geven in standbeelden en monumenten op openbare plaatsen, waar zelfs ongeletterden vertrouwd worden gemaakt met hun inhoud. In de grote steden van Europa is nog een flink aantal van zulke kunstwerken te bezichtigen - meest standbeelden van glorierijke koningen of militairen wier daden ze vereeuwigen. Deze dappere, wijze, succesvolle mannen in hun heroïsche poses dienden als voorbeelden voor de levende generatie.

In de negentiende en twintigste eeuw kreeg de openbare herdenking van belangrijke historische feiten een geheel andere vorm. Oude staten die zich omvormden tot moderne naties, of nog statenloze volkeren die poogden een eigen nationale staat te vormen, voelden de behoefte het ontstaan van hun eigen identiteit te bestuderen. Vooral in Duitsland werden in overvloed herdenkingsmonumenten opgericht, die de aandacht vestigden op personen, gebeurtenissen, veldslagen - alles ter ere van de natie in wording. Conform het denken van veel historici uit die tijd belichaamden ze een heden-gerichte mentaliteit, doordat ze tegelijkertijd de geschiedenis toonden, het heden vorm gaven en lieten zien hoe het heden de natie verder moest leiden op de weg naar haar bestemming.

Laten we kort stilstaan bij twee geheel verschillende voorbeelden van dit type herdenking, tamelijk willekeurig gekozen maar hopelijk evocatief genoeg, want het ene is een proto-fascistisch monstrum, het ander het standbeeld van een geëerde jood.

Het eerste is het monument dat tussen 1898 en 1913 in Leipzig is gebouwd ter herdenking aan de Völkerschlacht van 1813. In 1975 heeft George L. Moses er veel aandacht aan besteed in zijn boek The Nationalization of the Masses en in 1990 heeft een jonge Duitse kunsthistoricus, Peter Hutter, een hele monografie aan dit bouwwerk gewijd. Wat nu juist dit monument zo interessant maakt, is dat er al sinds 1814 een groeiend aantal ontwerpen voor in omloop was. Dank zij Hutters zorgvuldige onderzoek kunnen we de evolutie van het idee om een dergelijk monument te bouwen, de discussie over de toe te passen stijl (gotisch, classicistisch, Egyptisch, barbaristisch) en over de boodschap die het diende over te brengen, van begin tot eind volgen. We zien hier in concreto hoe negentiende-eeuwse Duitse patriotten betekenis en bestemming van hun geschiedenis interpreteerden en herinterpreteerden. Al van meet af aan werd besloten dat het geen overheidsmonument moest worden maar een initiatief dat geheel en al door particuliere intekening zou worden gefinancierd, een symbool van de dankbaarheid van het Duitse volk jegens de helden van de Duitse bevrijdingsoorlogen van 1813 en een vingerwijzing voor de natie om de taak uit te voeren die de Voorzienigheid haar had gesteld. De Volkerenslag zelf was niet zo maar een gedenkwaardig, vreugdevol incident; het was een belangrijke stap naar een betere toekomst. Het monument ter ere daarvan diende zo te worden ontworpen dat het enerzijds de plaats van de slag in de ontwikkeling van de geschiedenis bepaalde, en anderzijds de vorm aangaf die de natie volgens haar lotsbestemming in de toekomst zou aannemen.

Het monument dat uiteindelijk na bijna een eeuw van beraadslagingen werd gebouwd was een reusachtig, ambitieus kunstwerk dat naar stijl volstrekt van de in 1814 aarzelend opgestelde projecten verschilde - maar niet alleen in stijl. Ook de boodschap was veranderd. Moest de Volkerenslag aan het begin van de negentiende eeuw nog een tijdperk van groei naar één groot, liberaal Duitsland inleiden, aan het eind van de eeuw diende het om de bezoeker te overdonderen met enorm vertoon van Duitse levenskracht, volstrekte oorspronkelijkheid, geestelijke, morele en intellectuele superioriteit. Dit was een anti-westers, anti-humanistisch, anti-Wilhelminisch stuk architectuur. Het Leipziger monument wordt gedomineerd door ruw behouwen, zware, kolossale blokken steen waaruit, als planten, archaïsche mensenfiguren en gezichten lijken te groeien. De nadruk ligt op massa, gewicht, kracht. De voorzitter van het comité dat een en ander had voorbereid, voelde een diepe voldoening over de resultaten van zijn inspanningen omdat, zo zei hij, de architect (Bruno Schmitz) erin was geslaagd een subliem symbool te scheppen voor de klim van de natie naar een hoger plan en voor de ontketening van de furor teutonicus. Maar enkele jaren later schreef de bekende Duitse kunsthistoricus Wilhelm Bode dat de inwijding van het megalomane gebouw op 18 oktober 1913 een akelige opmaat tot de Duitse tragedie van de Tweede Wereldoorlog had gevormd.

Het tweede voorbeeld van de negentiende-eeuwse herdenkingskunst is van radicaal andere aard. Laten we kort stilstaan bij de onthulling in september 1880 van Spinoza's standbeeld in Den Haag, een aangenaam ogend maar vanuit kunstzinnig oogpunt middelmatig en weinig ambitieus kunstwerk, niet te vergelijken met het innovatieve karakter van het monument in Leipzig. Dit was te danken aan één publicist, Dr. Johannes van Vloten. Het driemanschap dat Van Vloten zijn hele leven lang had geïnspireerd bestond uit Socrates, Jezus en Spinoza. Jarenlang poogde Van Vloten het geld bij elkaar te krijgen om een standbeeld voor Spinoza te laten maken. In 1880 slaagde hij hier eindelijk in.

Van Vloten was een progressief-liberaal. In zijn toespraak bij de onthulling van het standbeeld prees hij Spinoza om de heuglijke tijdingen die hij had gebracht aan een verantwoordelijke, volwassen mensheid. Spinoza had de ware wijsheid boven de godsdienst en haar conflicten verheven en zo de reformatie voltooid. Zijn geest riep het Nederlandse volk van de negentiende eeuw ertoe op 'de maatschappij te veredelen door alle godsdienstige onenigheid en maatschappelijk vooroordeel achter zich te laten'. Het standbeeld verheerlijkte dus niet alleen een nationaal verleden waarin, eeuwen eerder, de emancipatie van geest en volk reeds begonnen was; het was tevens bedoeld als een belofte van een nog betere toekomst wanneer de mens wilde volgen in de voetstappen van Nederlands grote emancipatoren.

Dat Van Vloten Spinoza uitzocht is nogal verwonderlijk. In de vroegere Nederlandse traditie werd Spinoza helemaal niet als een typische Nederlander beschouwd, maar als een atheïst, een buitenlander, een Portugese jood die, hoewel in Holland geboren en getogen, een gevaar vormde voor de Nederlandse samenleving en diende te worden genegeerd - en ook inderdaad twee eeuwen lang genegeerd wás. Bovendien bestaat Spinoza's leer nu niet bepaald uit materiaal dat zich gemakkelijk leent voor de verheffing van ongeschoolden. Maar omdat we thans zo ver afstaan van Van Vlotens idealen en zijn methoden om die na te streven, zijn we ons des te sterker bewust van de eigenaardige functie die het geheugen en de herdenking vervulden in zijn opvattingen over leven en samenleving. En hoewel Spinoza's standbeeld een boodschap uitzond die in alle opzichten lijnrecht tegenover die van het monument te Leipzig stond, was het zelf eveneens bedoeld als een symbool voor de continuïteit van de nationale geschiedenis, een belofte van toekomstig geluk en een aansporing om het juiste pad naar de voorbestemde toekomst te volgen.

Het doel van de voorafgaande overwegingen was aan te tonen dat we voor de herdenking van de Tweede Wereldoorlog een geheel andere stijl hebben gekozen dan die welke overheersten in de negentiende en vroege twintigste eeuw. Voor velen onder ons is de gedachte dat de oorlog een stadium in een ononderbroken ontwikkeling zou zijn niet alleen ondenkbaar, maar ook emotioneel onverdraaglijk. Talloze herdenkingsmonumenten in heel Europa en de Verenigde Staten zijn weeklachten over de slachtoffers van volkerenmoord, massamoorden, marteling, onmenselijkheid op een voordien ongekende schaal. De grootheid van de eindoverwinning van de goede zaak op de kwade krijgt veel minder nadruk dan de aansporing aan de overlevenden in Duitsland en de bezette Europese landen zich schuldig te voelen omdat ze de moord op miljoenen burgers hebben geduld zonder hen te helpen. De oorlog is het meest geliefde referentiepunt voor hen die menen dat de Europese immigratiewetgeving minder restrictief moet worden dan ze nu is: zij veroordelen het 'racisme' dat eruit zou blijken. In hun opvatting is de oorlog nog niet afgelopen. Racisme en nationalisme woekeren nog voort in onze samenlevingen. Bezwaren van nuchtere historici dat de hedendaagse xenofobie slechts weinig van doen heeft met de quasi-wetenschappelijke, enorm ambitieuze en universele theorieën van de racistische ideologieën uit het begin van de twintigste eeuw worden genegeerd door erudiete mensen voor wie de oorlog en zijn excessen de maatstaf vormen waaraan ze de normen en waarden van hun tegenwoordige wereld afmeten.

Misschien is het geoorloofd bij wijze van voorlopige stelling te poneren dat wij in het algemeen de traditie uit de eeuwen voor ons hebben afgeschaft. In het algemeen - want sommige elementen van de naturalistische werkwijze lijken nog opgeld te doen. De helden en martelaren op het slagveld en in de verzetsbewegingen worden voor de jongere generaties afgeschilderd als bewonderens- en navolgenswaardige voorbeelden. Echter, niet alleen de goede, maar ook de slechte kanten van de menselijke natuur worden beschouwd als onveranderlijk en permanent. De les die de huidige naturalisten ons leren is dat we nog steeds en doorlopend het gevaar lopen het onmenselijke onrecht uit het nog zo recente verleden opnieuw te begaan of te dulden.

De belangrijkste en zonder twijfel meest geraffineerde stijl, de heden-gerichte, is echter verdwenen. Dat heeft een belangrijk gevolg. Voor de op het heden gerichte werkwijze was het denkbeeld van de continuïteit het centrale element van de geschiedinterpretatie. Tegenwoordig ontbreekt dit element. We willen niet dat de oorlog een schakel in een historische keten van ontwikkeling vormt - we willen integendeel dat dat níet zo is. De oorlog is een waarschuwing en leert ons niet op de oude voet door te gaan. Onze herdenkingen richten zich niet op continuïteit, maar juist op discontinuïteit.

Hoe lang zullen toekomstige generaties deze trant blijven volgen? We mogen verwachten dat ze langzamerhand de produktie van monumenten, musea, boeken, documentaires en speelfilms zullen verminderen; dat ze zullen ophouden de geschiedenis in slechts twee perioden onder te verdelen: vóór en ná de oorlog; dat ze met niet meer emotie op het tijdens de oorlog geleden leed zullen terugzien dan op het lijden van de christenen in het oude Rome of dat van door blanken afgeslachte Indianen of dat van verbrande ketters. Mettertijd zal de oorlog niet langer het min of meer natuurlijke herdenkingsobject zijn dat het thans nog is. Als men er nog aan terugdenkt, zal het zijn omdat hij voor dat doel wordt uitverkoren op dezelfde manier als dat gebeurt met de Amerikaanse of de Franse revolutie. Maar om wat zal men de oorlog herdenken? Uiteindelijk zal men er wellicht een zin aan toekennen door hem zo te reconstrueren dat hij past in een historische continuïteit. Misschien wordt de oorlog gehuldigd als een overwinning op een boosaardige tirannie, als het beginpunt van een proces van emancipatie dat zowel de Europese koloniën als de achtergestelden omvat, de vrouwen en zo vele andere groepen in de westerse samenlevingen, als het begin van een economische groei van ongekende omvang en de eerste fase in de technologische revolutie die de wereld van aanzien heeft veranderd. Te verwachten valt echter dat onze nakomelingen zich maar met grote moeite zullen kunnen losmaken van de gigantische hoeveelheid documentatie over leed en schuld die we de afgelopen vijftig jaar hebben verzameld. Het valt te hopen dat zij daar toch in zullen slagen want al gaat geschiedenis over de dood, zij moet niet gaan over de dood alleen.