De sturing van de G-7

DE BESLISSING ligt bij de markt. Met die opmerking, gisteren in Washington, deed president Tietmeyer van de Duitse Bundesbank de discussie over het historische dieptepunt van de dollar af. Daarmee onderstreepte hij de afwezigheid van bereidheid tot financiële en monetaire samenwerking in de G-7, de Groep van zeven machtigste industrielanden. De G-7, die zich midden jaren tachtig beijverde voor gecoördineerd beleid om de wisselkoersen te stabiliseren, heeft de sturing opgegeven. Duitsland ziet er, terecht, niets in. Het heeft geen zin om met steunaankopen of renteverschuivingen zwakke munten te ondersteunen. Zolang landen niet bereid zijn om zelf hun munt te versterken, bepalen de markten het spel.

De Verenigde Staten ontkomen daar niet aan. Opmerkingen dat de VS belang hebben bij een sterke, stabiele munt, maken in Washington geen enkele indruk. De president wekt geen vertrouwen, het Congres gaat zijn gang en ondermijnt de stabiliteit van de dollar door opnieuw de richting in te slaan van belastingverlaging zonder bezuinigingen. De Federal Reserve Board, het stelsel van centrale banken, is wettelijk gebonden om een spagaat te maken tussen bestrijding van de inflatie en bevordering van de werkgelegenheid. Dat laat geen ruimte voor een wisselkoersbeleid.

Heel simpel gezegd verzwakt de dollar omdat er te veel dollars in de wereld in omloop zijn en er geen rem is op de dollarschepping. Zolang de dollar de positie van internationale reservemunt heeft, kunnen de Verenigde Staten daar tamelijk onbekommerd mee doorgaan en zich onttrekken aan de discipline die andere landen wel ondervinden van hun wisselkoers: de wereld accepteert toch wel dollars. De monetaire paradox is evenwel dat die positie door overmatig gebruik steeds verder wordt uitgehold.

DE G-7 KAN die discipline niet opleggen als daartoe geen gemeenschappelijke politieke bereidheid bestaat. Dan is het wachten op het moment waarop de internationale valutamarkten de disciplinerende werking van de wisselkoers zullen afdwingen.