Colosseum betaald met joodse schatten

ROME, 26 APRIL. Het Colosseum, het beroemde amfitheater in Rome waar gladiatoren met elkaar en met wilde dieren vochten op leven en dood en waar duizenden christenen zijn vermoord als vermakelijk schouwspel, is vrijwel zeker betaald met de opbrengst van de plundering van Jeruzalem in 70 n. Chr.

Tot deze conclusie komt de Duitse onderzoeker Geza Alföldi. Millimeter voor millimeter heeft hij de inscriptie op een marmeren steen onderzocht boven een van de toegangspoorten tot de Romeinse arena, waar de keizers het volk brood en spelen aanboden. Hierbij ontdekte hij een groot aantal kleine gaatjes op het oppervlakte van de steen. Dit zijn de gaatjes van de spijkers waarmee vroeger bronzen letters op dezelfde marmeren plaat hebben vastgezeten. Op basis van de plaats en de grootte van deze spijkergaatjes heeft hij de eerdere Romeinse tekst gereconstrueerd: imp caes vespasianus aug amphiteatrum novum ex manubis fieri iussit - keizer Caesar Vespasianus Augustus heeft opdracht gegeven het nieuwe amfitheater te bouwen met de opbrengst van de buit.

Keizer Titus Flavius Vespasianus geldt als een van de grote Romeinse bouwheren. Toen hij in het jaar 69 het keizerschap aanvaardde, zette hij een bouwgolf op gang in de hoofdstad om de verwoestingen te herstellen na de maanden van burgeroorlog die volgden op de dood van Nero. Zo gaf hij ook opdracht tot bouw van het Colosseum, een architectonisch wonder: een vrijstaand theater zonder steun van een aangrenzende heuvel, met plaats voor tegen de vijftigduizend mensen en bovendien gebouwd op de drassige grond waar vroeger het kunstmatige meer van het paleis van Nero was. Vespasianus zelf heeft het gebouw niet af gezien. Het is geïnaugureerd door zijn zoon Titus, die hem na zijn dood in 79 opvolgde, en afgebouwd door zijn andere zoon Domitianus, die in 81 aan de macht kwam, na Titus' dood. Naar de familienaam wordt het Colosseum ook wel het amphiteatrum Flavium genoemd.

Geschiedschrijvers hebben niet eerder een direct verband gelegd tussen de bouw van het Colosseum en de oorlog van de Romeinen tegen de joden. Volgens Alföldi, wiens onderzoek wordt aangehaald in het Italiaanse maandblad Archeo, kan er geen misverstand over bestaan over wat in de inscriptie wordt bedoeld met de 'buit'. Vader en zoon Flavius hebben een hoofdrol gespeeld in de oorlog tegen de joden. De Romeinse legioenen in Judea stonden aanvankelijk onder bevel van Vespasianus, maar kwamen onder Titus toen Vespasianus tot keizer werd uitgeroepen. Het was Titus die verantwoordelijk was voor de inname van Jeruzalem en de plundering van de beroemde tempel van Herodus, in het jaar 70. Volgens de overlevering werd Titus verblind door de schittering van de schatten in de tempel, en Romeinse chroniqueurs hebben verhaald dat Rome ondanks al zijn rijkdom nog nooit zoveel schatten bij elkaar had gezien als die welke Titus meebracht als oorlogsbuit. Het reliëf op de boog van Titus, vlak naast het Colosseum, herinnert aan de triomfantelijke intocht in de hoofdstad met de buitgemaakte kunstschatten.

Van de bronzen letters die de oorspronkelijke woorden op de inscriptie moeten hebben gevormd, ontbreekt ieder spoor. Ze zullen er zijn afgehaald, zoals heel het Colosseum is geplunderd en gebruikt als bouwmateriaal voor andere gebouwen. Alföldi heeft wel kunnen vaststellen dat Titus op de inscriptie na de afkorting imp', voor imperator, keizer, een T heeft laten invoegen. Kennelijk wilde hij niet alle eer voor het al snel beroemde amfitheater aan zijn vader laten.