Aruba blijft 'onder voorwaarden' onder Nederlandse paraplu; Gevolmachtigd minister verzet zich tegen het opleggen van allerlei Nederlandse regelingen

Na ruim een jaar onzekerheid heeft Aruba gisteren zijn felbegeerde Koninklijk Besluit gekregen dat dit rijksdeel binnen het Koninkrijk der Nederlanden houdt. Maar Nederland stelt daarbij aan zowel Aruba als de Antillen voorwaarden: ze moeten een 'deugdelijk bestuur' voeren. Het financiële beheer en de democratische controle moeten drastisch worden verbeterd.

DEN HAAG, 26 APRIL. Feest was het gisteravond op het Arubahuis, het kantoor van de Gevolmachtigde minister van Aruba mr. Mito Croes, in Den Haag. De Arubanen vierden de ondertekening van een Koninklijk Besluit dat bepalend is voor hun staatkundige toekomst. Het stelt de rijkswet in werking die de onafhankelijkheidsdatum voor Aruba - 1 januari 1996 - uit het Statuut voor het Koninkrijk schrapt.

Minister-president Kok, de ministers Voorhoeve en Dijkstal waren van de partij, en premier Eman van Aruba was er speciaal voor overgekomen. Eindelijk kan hij buitenlandse investeerders zekerheid bieden over de status van zijn eiland.: “We blijven een deel van het Koninkrijk der Nederlanden.” Die paraplu biedt garanties: externe defensie door de koninklijke marine, een kustwacht om de mafia, drugshandelaren en witwassers op afstand te houden, ontwikkelingshulp, technische bijstand en hulp om het rechtssysteem in stand te houden.

Die zekerheid over de status van Aruba heeft vooral een ingrijpende aanpassing van het koninkrijksbeleid aan Nederlandse kant gevergd. Negen jaar geleden kreeg Aruba na een lange strijd onder aanvoering van de legendarische politicus Betico Croes een “status aparte”: het eiland mocht zich afscheiden van de Nederlandse Antillen en werd een apart land binnen het koninkrijk. Nederland stemde daarmee in op voorwaarde dat Aruba in 1996 volkenrechtelijk onafhankelijk zou worden. Maar voor Aruba ging dat tegen heug en meug.

Nederland oefende sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 op zowel de Antillen als Aruba druk uit om ook deze weg op te gaan. Maar het schrikbeeld van de militaire revolutie van Bouterse versterkte het verzet op de Caraïbische rijksdelen: ze koesteren zich liever in de federale structuur van het koninkrijk, die hen autonomie in het lokale bestuur verschaft. In 1989 maakte het kabinet Lubbers-III een radicale ommezwaai. De rijksdelen mogen in het koninkrijk blijven zolang ze willen, zij het onder voorwaarden: ze moeten een 'deugdelijk', democratisch bestuur voeren en de rechtsstaat beschermen.

Intussen verslechterde echter de kwaliteit van het bestuur op zowel de Antillen als Aruba ernstig. In de Troonrede van september 1992 uitte koningin Beatrix “zorg” over de bestuurlijke en financiële situatie in de rijksdelen, en ze pleitte voor “wezenlijke en blijvende verbeteringen”. Vooral de torenhoog opgelopen schulden zorgden voor verontrusting, en nog steeds.

Weliswaar gingen de Tweede- en Eerste Kamer in maart 1994 akkoord met een rijkswet die de onafhankelijkheid van Aruba uit het Statuut voor het Koninkrijk lichtte, maar de inwerkingtreding van die wet werd ruim een jaar opgehouden. Het parlement wilde eerst meer zekerheid dat Aruba ernst maakt met verbeteringen die de regering had bepleit. De nieuwe minister van koninkrijkszaken, Voorhoeve, concludeerde in februari dit jaar aan de hand van rapportages dat Aruba op de goede weg is. Hij wist beide Kamers ervan te overtuigen dat de tijd gekomen is om het eiland zijn zin te geven.

Daarmee begint echter het debat over een ingrijpende aanpassing van de koninkrijksrelaties pas goed. Vanavond opent de Gevolmachtigde minister van Aruba, Mito Croes, in Oranjestad een symposium over 'deugdelijkheid van bestuur' met een speech die voor Nederland niet geruststellend is. Croes verzet zich tegen “het opleggen van allerlei Nederlandse regelingen”. Hij wil het probleem voornamelijk met lokale wet- en regelgeving oplossen. Van een Wet openbaarheid van bestuur en administratieve rechtspraak, zoals door ex-minister Hirsch Ballin was voorgesteld, wil hij eigenlijk niets weten. “Alles is bij ons al openbaar en burgers die zich door de overheid tekort gedaan voelen, kunnen naar de civiele rechter stappen.” Nederlandse regelingen zijn vooral geënt op de in Nederland geldende, sterke rol van het parlement. “Op Aruba is de trias politica een dode letter. Het parlement controleert niet, het is in feite ondergeschikt aan de regering. Want de partijleiders van de coalitie zitten in het kabinet en een parlementslid dat zich kritisch opstelt tegenover de regering, komt bij de volgende verkiezingen niet meer op de kandidatenlijst.” Sancties op het niet naleven van de Arubaanse staatsregeling zijn er niet, zegt Croes. “Die wet schrijft voor dat elk jaar tijdig een begroting moet worden ingediend bij het parlement, maar dat is vier jaar lang niet gebeurd.” Wel is Croes voorstander van een veel sterkere positie van de Rekenkamer, het bestrijden van partijdige ambtsuitoefening en van politieke gunsten in ruil voor stemmen.

“Een frustratie” voor Antilliaanse en Arubaanse juristen en bestuurders is volgens de minister dat “deugdelijkheid van bestuur altijd door Nederlandse juristen wordt vormgegeven, aan de hand van Nederlandse instrumenten die bij ons niet werken”. Ook ziet Croes niets in het 'Hoger toezicht' dat Nederland instelde op Sint Maarten. “Het werkt niet, omdat het eilandsbestuur en de oppositie zich ertegen verzet.”

Ex-minister Hirsch Ballin, die zich afgelopen jaren het vuur uit de sloffen liep voor een verbetering van de kwaliteit van het bestuur op de Antillen en Aruba, relativeert die kritiek. In zijn 'herintredingsrede' van 3 maart jongstleden, waarmee hij het (part-time) hoogleraarschap in het internationale recht aan de Katholieke Universiteit Brabant aanvaardde, herinnerde hij er in een voetnoot fijntjes aan dat voortzetting van de koninkrijksband zijn rechtvaardiging vindt in de beginselen van de rechtsstaat, democratie en goed bestuur. “Als de trias politica niet werkt, heb je een sterke dualitas nodig van onafhankelijke controlerende instanties. Het is niet zo dat de rijksdelen dat moeten doen omdat wij dat willen, maar wij zijn met onze adviezen en bijstand beschikbaar in het belang van de doelstellingen die zij in vrijheid hebben aanvaard. Natuurlijk kijk je in hoeverre Nederlandse instrumenten aan de Caraïbische werkelijkheid moeten worden aangepast.”

Nederland stelt zich nu terughoudend op bij het doen van voorstellen, vooral om de nieuwe Antilliaanse regering ruimte te geven voor het ontwikkelen van ideeën over de samenwerking binnen het koninkrijk. Hoofddirecteur H. van Weeren van het Kabinet van Antilliaanse en Arubaanse zaken - de staf van minister Voorhoeve - wil wel kwijt dat er een “nieuw systeem van checks and balances moet komen, op financieel en bestuurlijk terrein. “Je kunt je een structuur à la het Gemeentefonds voorstellen, die een versterking van het Antilliaanse staatsverband betekent. Zo'n fonds zou niet door Nederland, maar in de West zelf beheerd moeten worden.”

Ook pleit Van Weeren voor nauwe samenwerking van de drie Rekenkamers en versterking van de parlementaire invloed op de Antillen en Aruba. “Van de besluitvorming in de Rijksministerraad wordt daar nauwelijk verantwoording afgelegd. Daar zitten een paar weeffouten in het Statuut.” Als voorbeeld hoe het door onvoldoende invloed van de Antilliaanse Staten (parlement) mis kan gaan noemt hij de gang van zaken met de kustwacht. Over het voorstel hadden de regeringen overeenstemming bereikt, maar uiteindelijk keurden de Staten het af. “In de huidige structuur kan dus een patstelling in de besluitvorming ontstaan.” Van Weeren ziet een oplossing in instelling van een constitutioneel Hof, zoals het Duitse Bundesverfassungsgericht. “Wij hebben als eens voorgesteld een dergelijke rol aan de Raad van State toe te kennen.”