Welgedane liberalen zijn de doodgravers van de democratie

De sociale erosie van Amerika maakt duidelijk dat de jaren van de democratie geteld zijn. Milo Anstadt vreest dat Europa Amerika zal volgen in het verval. Een revolutionaire heroriëntering is nodig om de vrijheid te redden, maar de benodigde grote geest is nog niet opgestaan.

Wie zich verdiept in het verloop van de nu eindigende eeuw, komt tot het besef dat ons inzicht in de samenleving eerder is geschrompeld dan verruimd. Wij weten minder dan ooit een universele grondslag te vinden voor het recht, het volkenrecht, de rechten van de mens, de produktie en de sociale welvaart, het milieu, de bevolkingsaanwas, de bestrijding van de criminaliteit, et cetera. Pogingen onze vage en dikwijls tegenstrijdige ideeën in praktijk te brengen resulteren in mislukkingen. De verkondiging van Fukuyama, dat de overwinning van het liberalisme het eindstadium van de geschiedenis heeft ingeluid, lijkt dan ook een slechte grap.

Nooit eerder is de machteloosheid van de liberale democratie zo aan de dag getreden als de laatste tijd. Lange jaren was het niet zo bijster werkzame instrumentarium van de democratie toereikend om de samenleving in balans te houden. De problemen kwamen ten slotte tot een oplossing omdat, zoals dat heet, de wal het schip keerde. Maar nu voltrekken zich wereldschokkende ontwikkelingen die zich klaarblijkelijk aan iedere controle onttrekken. Wat er ook gedaan wordt om de samenleving in het gareel te houden, de gangbare middelen van het liberalisme dragen eerder tot verval dan tot versterking van de democratie bij. Zonder diepgaande vernieuwing van het democratisch denken en handelen, zonder radicale en krachtige sturing volgens nieuwe idealen, lijken de jaren van de democratie geteld.

In het verleden werd het begrip democratie zelden gebruikt zonder dat men daarbij aan sociale gerechtigheid dacht. Hoewel van het laatste in menig land weinig terechtkwam werd het toch wel als een oogmerk van de democratie beschouwd - zowel in de grote Verenigde Staten als in het kleine Nederland. Over de kenmerken van democratie wordt tegenwoordig in toenemende mate verschillend geoordeeld. Wat vele Amerikanen als democratisch beschouwen wordt door vele Europeanen onverenigbaar geacht met de diepste bedoelingen van democratie en wat in West-Europa zelfs rechtse partijen als de VVD nastreven, beschouwen vele Amerikanen al bijna als staatssocialisme.

Terwijl de politici zich verstard en onverdroten in hun vicieuze cirkels voortbewegen, verneemt men steeds vaker van sociologen, politicologen en historici dat de democratie in gevaar verkeert. Deze waarschuwing is ook tot de denkende minderheid van de VVD doorgedrongen, die daarom in december jl. een conferentie heeft georganiseerd over de relatie van het liberalisme tot de uit de Verenigde Staten overgewaaide denkwereld van het communitarisme. De deelnemers aan de conferentie werden geconfronteerd met communitaristische bezwaren tegen de kritiekloze aanvaarding van de moderniteit, die de mens lostrekt uit zijn natuurlijke en sociale bodem en hem aan nihilisme en vervreemding uitlevert. Zij moesten zich afvragen of de door vele liberalen verkondigde opvatting dat de staat zich niet moet uitspreken over de diverse concepties van het goede leven die individuen aanhangen, wel houdbaar is. Aan het slot van de conferentie maakte men zich echter met een Jantje van Leiden van alle problemen af. In de samenvatting werd betoogd dat het communitarisme als academische theorie interessant is, maar voor de praktische politiek slechts geringe betekenis heeft. “De vage ongerustheid over maatschappelijke ontwikkelingen waaraan politiek-actieve communitaristen uiting geven, kan moeilijk de basis vormen voor een politieke beweging. In Europa, en zeker ook in Nederland, denkt men bovendien traditioneel al communitaristisch, zodat voor een, door de gemeenschapsdenkers wenselijk geacht ethisch reveil in onze regio minder reden bestaat dan in de Vereinigde Staten”, aldus de dagsluiter.

Deze uitkomst mocht Bolkestein als groen licht opvatten voor de voortzetting van zijn opportunistisch zwalken, gericht op stemmenwinst en gespeend van enige visie op de toekomst.

Ook de andere liberale partijen, D66 en Partij van de Arbeid - beide iets communitaristischer ingesteld - zijn met beuzelarijen bezig en hebben weinig oog voor de levensgrote crisis die het voortbestaan van de democratie bedreigt.

Nu is deze houding van 'na ons de zondvloed' niet onbegrijpelijk. De politici weten dat ons land niet de portuur heeft om internationaal een grote invloed uit te oefenen. Maar zij die in Nederland een gidsland willen zien zouden ten minste naar inzicht in die crisis moeten streven en zo mogelijk ideeën aandragen die de ondergang van de democratie kunnen afwenden. In alle discussies over de ernstige gevaren waaraan onze samenleving blootstaat, wordt om de hete brij heengelopen. Hoewel de nakomelingen van het rationalisme en de Verlichting vaag of uitdrukkelijk in de maakbaarheid van de wereld geloven, doen zij praktisch niets om de problemen op te lossen en beperken zij zich er voornamelijk toe deze te benoemen.

In de jaren zeventig schrikte de Club van Rome de wereld op met de waarschuwing dat er grenzen aan de groei waren, maar die gedache vatte men al gauw als loos alarm op. Economen die in de verbreiding van de vrije markt de motor van groei zagen, ontvingen Nobelprijzen. Voor hen waren de ondernemers de kippen met de gouden eieren; die moesten voor een zodanige welvaart zorgen dat het verlangen naar gerechtigheid bij de minder bedeelden zou wegebben. Twintig jaar zijn de adepten van Von Hayek en Friedman nu bezig en hun voornaamste resultaat is dat zij de cyclische werkloosheid omgezet hebben in een structurele. Zij zijn het die in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië een schrikbarende sociale erosie hebben aangericht en zij zijn het die verantwoordelijkheid dragen voor woestijnen van verval.

Karl Popper heeft eens gezegd dat de geschiedenis beschreven kan worden als een aaneenschakeling van misdaden en ploertigheden, van oorlogen en domheid, maar ook van heldendom en offerbereidheid. Uiteraard kan de geschiedenis ook gezien worden als een opeenvolging van politieke vergissingen. Tot die vergissingen hebben de economen het nodige bijgedragen en in die geschiedenis zullen zij niet figureren als de verlichte geesten waarvoor velen van hen zichzelf houden.

Hoe men het ook draait of keert, er is geen democratie als de staat niet aan de verlangens van het volk naar gerechtigheid tegemoetkomt. De overheid kan een tijdlang de schijn van democratie ophouden, maar de desintegratie woekert voort en het waarlijk oligarchisch karakter van zo'n staat blijft niet verborgen. Nu de Europese democratieën steeds meer het politieke, economische en culturele voorbeeld van de Verenigde Staten volgen, begint hun democratisch bestel aan dezelfde kwalen te lijden als dat van 'het land van de onbegrensde mogelijkheden'.

Het is twijfelachtig of de Verenigde Staten nog de karakteristiek van een waarachtige democratie bezitten. Vijftig procent ontgoochelden neemt niet meer deel aan de verkiezingen. Dertig procent leeft onder de armoedegrens. Het aantal verslaafden, daklozen, drop outs neemt onrustbarend toe. Criminaliteit en geweldsdelicten zijn in tien jaar tijd honderd procent gestegen. Ongeveer één procent van alle doodsoorzaken is het gevolg van moord of doodslag. Grote steden verkommeren. De ondergrondse infrastructuur, die nog uit de vorige eeuw stamt, verkeert in een deplorabele toestand; vernieuwing is onontkoombaar, maar er is geen bron voor de daarvoor benodigde biljoen dollar. Vele steden zijn bijna of geheel failliet: Washington, Orange County. Een middenklasse, bezeten van eigenbelang en beheerst door onwil belastingen te betalen, zwerft van Democraten naar Republikeinen en vice versa en de twee partijen houden elkaar in een houdgreep waardoor de ontwikkeling min of meer aan het noodlot is overgelaten. De inkomensverschillen nemen toe. De armen worden opstandig, de rijken verschansen zich in ommuurde en bewaakte burchten. Het recht functioneert als een soap-opera; terwijl er in het land duizenden moorden per jaar worden begaan, wordt er aan één quasi-democratisch jury-proces tegen het sportidool Simpson tientallen uren televisie besteed en 200 miljoen dollar uitgegeven. In sommige staten wacht een delinquent na een derde veroordeling levenslang, ook als het laatste misdrijf slechts uit het stelen van een pot jam in een supermarkt bestond.

En dan de media en de voorlichting. Voor zowel pers, radio als televisie geldt dat hun oogmerk winst is. Maar de brutaalste vorm van winstbejag representeren de televisiestations. Hun aanbod bestaat alleen uit programma's waarvoor bedrijven en instituties bereid zijn duizelingwekkende sommen neer te tellen. Thema's die geen geld opleveren komen niet aan bod. De commercialisering van de pers lijkt minder erg, maar in feite wordt ook deze door het mechanisme van het winstbejag beheerst. Zij vormt een enorme geluidsversterker voor opinies die aanslaan. Deze worden eerst door de media zelf geselecteerd en vervolgens zo krachtig uitgebazuind dat andere opinies niet meer vernomen kunnen worden. In deze structuur is onafhankelijkheid maar schijn. Het proces van meningsvorming is aan de eigen commerciële dynamiek van de media onderworpen. Studies, denkers, nieuwe inzichten hebben op die meningsvorming slechts een marginale invloed; zij vermogen alleen nog iets uit te richten als zij op een sensationele impact kunnen bogen.

Jacht op geld, competitie en mateloze consumptie zijn het credo van de Amerikaanse samenleving. In de allesomvattende concurrentiestrijd is niets van zijn voortbestaan, niemand van zijn positie verzekerd. De maatschappelijke ongewisheid werpt een donkere schaduw over het bestaan, wekt wantrouwen en cynisme, leidt tot isolering en vereenzaming, verdrijft gevoelens van solidariteit en roept atavistische driften op die het individu weer in de oer-staat van homo homini lupus brengen.

De Verenigde Staten bewijzen niet het echec van het kapitalisme; in veel opzichten tonen zij het produktieve succes ervan aan. Maar bovenal zijn zij een voorbeeld voor de desastreuze gevolgen van het ontbreken van een redelijke inkomensverdeling en van sociale verantwoordelijkheid.

Natuurlijk staat veel Amerikanen een menslievende wereld voor ogen, vrijheid, gelijkheid, broederschap, welvaart voor allen. Maar, zoals Johan Huizinga in zijn boek Amerika al in 1925 met bewonderenswaardig vooruitziende blik schreef: “De taak waarin Amerika in haar eigenste wezen gelooft, is in hun handen niet veilig.”

Huizinga nam waar hoe fundamentalistische groepen van protestantse huize een fanatieke, genadeloze strijd voerden tegen personen die denkbeelden en theorieën uitten strijdig met bijbelse teksten. Hij was bevreesd dat dit soort geborneerdheid - elke geborneerdheid daar - furore kon maken. “Wat indien het vulgaire Amerika, indien onverstand, belang en geestelijke leegheid, in één woord indien Babbitt (de kleinburgerlijke Amerikaanse romanfiguur van Sinclair Lewis, M.A.) de partij kiest van het fundamentalisme? Die kans is niet denkbeeldig”, schreef hij zeventig jaar geleden.

Nu is dat gevaar daar levensgroot aanwezig. Een primitief, intolerant christendom is in opmars. Het is niet weg te slaan van het televisiescherm en het baant zich met toenemend succes een weg naar de top van de Republikeinse partij. Daarbij is het slechts een van de vele inhumane en bekrompen sectarische groepen die zich in de Verenigde Staten openbaren.

De Amerikaanse hoogleraar in de sociologie, Amitai Etzioni, uitte zich in deze krant onlangs als volgt: “Elke keer als ik naar Europa ga, smeek ik de Europeanen: Bezoek de VS. Wil je werkelijk hier eindigen? Jullie gaan onze kant op...”

Profeten die zich aan voorspellingen over de 21ste eeuw wagen voorzien doorgaans niet dat Europa zich aan een dergelijke waarschuwing veel gelegen zal laten liggen. De springvloed van het liberalisme voorkomt dat men oog heeft voor de realiteit van het Amerikaanse model, voor de betrekkelijk machteloze staat, voor de multinationals, banken en beurzen die het economisch leven beheersen, voor mensen die in elektronisch verbeelde werelden hun behoefte aan metafysica bevredigen, voor de voortgaande privatisering van het openbare leven en voor de benauwende behoudzucht met betrekking tot het particulier eigendom, voor de onsamenhangende, traditieloze, veranderlijke, utilistische moraal, voor de ingekapselde netwerken en de hoogst verbrokkelde cultuur, voor een wereld in chaos, die er wellicht om smeken zal dat een charismatisch leider haar tot een corporatieve, fascistoïde eenheid smeedt.

De middenklasse, die nu in de meeste Europese landen de machtigste groepering vormt, bewondert het Amerikaanse model en wuift alle waarschuwingen dat het modernisme de kiemen bevat die een einde aan vrijheid en democratie kunnen maken, als doemdenken van de hand.

Deze klasse is wellicht te optimistisch als zij verwacht getalsmatig de overhand te zullen behouden. Na haar opkomst is er nu al een tendentie waarneembaar dat zij weer afkalft en deels verproletariseert. De tweedeling van de samenleving in armen en rijken schrijdt voort. Voorlopig echter kunnen leden van de middenklasse het liberalisme sterken. In Nederland heeft de VVD aan hen haar opkomst te danken. Zij zijn zeer ontvankelijk voor de mythologie van die partij.

Het electoraat schuift naar rechts op, constateert men. Verbazend is dat men zich daarover verbaast. Immers, de mensen laten zelden andere ideeën door hun hoofd gaan dan de ideeën die hun worden aangeboden. Zou het dan niemand zijn opgevallen dat de bazuinen van de media sinds een reeks van jaren stellingen verkondigen van liberale signatuur? Laten we er een aantal van nagaan: - het socialisme is mislukt; het heeft tot vrijheidsbeperking, bureaucratie, armoede en bijgevolg tot geestelijke en materiële crises geleid; - de mens is geen wezen dat zich wel voelt in een collectivistisch georiënteerde samenleving; - een gericht streven naar wereldverbetering is zinloos gebleken; het heeft bijgevolg zijn bekoring voor de ontideologiseerde moderne mens verloren; - de mensen zijn mondig geworden; zij weten wat goed voor hen is en hebben geen behoefte aan een boven hen gestelde autoriteit die hun voorschrijft wat te mogen en te moeten willen; - de resultaten van individueel egoïsme dragen bij tot verrijking van de gemeenschap; - de staat moet de voorwaarden scheppen voor een vrije markt en ongelimiteerde concurrentie opdat economische groei, innovatie en toenemende welvaart worden gewaarborgd; - het particuliere initiatief is superieur aan ambtelijke leiding en dient die daarom optimaal te vervangen; - denivellering van inkomens bevordert het initiatief, komt de ondernemingslust ten goede en leidt tot verruiming van de werkgelegenheid.

Men zou verwachten dat sociaal-democraten die stellingen hevig zouden bestrijden, maar dat doen zij nogal defensief. De eerste vier worden halfslachtig aanvaard, met het gevolg dat de afwijzing van de overige aan overtuigingskracht mist.

Het is allerminst om voor het socialisme te pleiten dat ik een vraagteken zet bij de eerste these. Het socialisme is alleen beproefd in onderontwikkelde landen met een autoritaire tot despotische structuur en nooit in een westers industrieland met een democratische traditie. Niettemin heeft men van de mislukte experimenten kunnen leren dat een socialistische samenleving het meest wordt bedreigd door bureaucratie.

Dat de mensheid ontideologiseerd zou zijn is ook maar een kreet. In Azië is er eerder sprake van een teveel aan ideologie, en in het Westen leven de mensen bewust of onbewust in afwachting van een nieuwe zingeving die hen zou kunnen verwarmen en het gemeenschapsgevoel herstellen.

Sinds enkele decennia horen wij dat de mensen mondig zijn geworden en dat zij weten wat goed voor hen is. Uit de groeiende afkeer van politiek die velen demonstreren, uit de onverschilligheid tegenover de verwoesting van de natuur, uit de weerstand tegen een noodzakelijke algemene versobering is dat niet op te maken.

Wat het positieve van grote inkomensverschillen betreft: het liberale laissez-faire heeft ertoe geleid dat topmanagers van de grootste Amerikaanse bedrijven honderd keer zoveel verdienen als arbeiders. Is dat de welvaart van het Amerikaanse volk ten goede gekomen? Volgens de econoom Galbraith heeft die theorie geen redelijke, maar een religieuze grond, “omdat de visie dat als je alles maar op zijn beloop laat de dingen vanzelf goed komen, niet op empirisch onderzoek berust, op een flard van bewijs, of zelfs maar op aanwijzingen, maar op een soort theologie”.

De zelfgenoegzame, welgedane middenklasse die niet meer gelooft in de verzorgingsstaat en de liberalen die haar representeren, zijn vandaag de dag de meest te duchten doodgravers van de democratische samenleving. Wie de vrijheid wil redden zal nieuwe impulsen tot de ontwikkeling van sociale gerechtigheid moeten geven. De bestaande volkspartijen in Europa, laat staan in Amerika, zijn daartoe niet in staat omdat zij geen van alle een visie op de toekomst hebben. Doormodderen is hun devies.

Een systeem waarin de mensen er zijn voor de economie en niet de economie voor de mensen zal ongetwijfeld aan zijn eigen onmenselijkheid te gronde gaan. Overgeleverd aan zijn intrinsieke dynamiek zal het echter een soortgelijk maatschappelijk maanlandschap achterlaten als het communisme in de voormalige Sovjet-Unie.

Terwijl westerse parlementen allerlei 'democratische' prietpraat verkopen over rechtshandhaving en alle westerse regeringen hun beschermende vleugels uitspreiden over de heilige koeien van de liberale economie, doet de onderwereld met een biljoen gulden per jaar mee aan het Monopoly om de macht en zijn er godsdienstfanatici, nationalisten en verziekte megalomanen bezig chemische en bacteriologische wapens aan te leggen, met de bedoeling er op een kwaad moment overheden van halve continenten mee te chanteren.

Er is een revolutionaire heroriëntering nodig om de vrijheid te redden. Die kan alleen verwacht worden van geniale denkers, politici, figuren met geest, autoriteit en charisma die op dit ogenblik nog in geen velden of wegen te bekennen zijn. Het waren in deze eeuw steeds grote mannen die de sociale ontbinding van het Westen en zijn afglijden naar barbarij hebben voorkomen, karakters die achter een conformistische façade een revolutionaire wil verborgen. De onderscheiding van revolutionair siert een Roosevelt en een Churchill, een De Gaulle en zelfs een Adenauer.